Glurend door een venster zie ik een man aan een bureau zitten. Het schijnsel van een druipende kaars op een houten standaard geeft de man spookachtige schaduwcontouren. Er hangt een zwak rokende pijp uit zijn mondhoek die soms kauwend verhuist naar de andere mondhoek. Rooksliertjes van de brandende pijp kringelen in het schijnsel van de kaars omhoog. Op een oude Brother schrijfmachine typt hij zijn verhaal; briesend van woede zo te zien.

In die woede kleunt hij met grote halen de letters via de toetsen op papier. Ongenuanceerd tikt hij er op los. Kaf en koren schrijft hij neer zonder aanzien des persoons. Een vrouw die hem vraagt even te stoppen met schrijven om op de bank koffie te komen drinken vangt bot.
Tegenover hem zie ik een ander raam. In dat raam bewegen takken van een boom heen en weer. Regen klettert tegen dat raam.
Maar wat schrijft deze man? Wat veroorzaakt zijn vermeende woede? Is het zijn gedrevenheid of zijn ijver? Het wereldgebeuren? Zijn verleden dat persé op papier moet? Of zijn het recente ontwikkelingen zoals heeft zijn vrouw een ander of gaat zijn maîtresse vreemd? Wie zal het zeggen.

Er staat een mok met een links oortje naast hem en hij neemt er een slok uit. Wat zou er in die mok zitten? Koffie? Thee? Water? Sterke drank? Vragen die onbeantwoord blijven en de fantasie van de lezer op hol doet slaan.
Tenzij die man een dwarsligger is. Want dwarsliggers heb je nu eenmaal nodig om elk spoor recht te houden.

©Prlwytskovsky.