Eenzame ouderen

Tags

, ,



Laatst kwam ik met een buur te spreken over ouderen; ouderen die in het nieuws zijn omdat zij verwaarloosd worden in tehuizen en verzorgingscentra. Niet op tijd douchen, geen schone kleding voorradig, en het eten en drinken laat ook te wensen over. E.e.a. volgens een nieuwsbulletin.
Buur en ik spreken onze afschuw erover uit en vragen ons af of er in onze nabijheid niemand is die aan deze criteria voldoet.
“Ken jij mensen die eenzaam zijn?” Vraag ik hem.
“Niet eentje.” Zegt hij. “Maar ja: zou jij dat in het openbaar willen erkennen?”
“Nee zeker niet.” Antwoord ik. “Ik zou dat voor mezelf niet eens willen weten.”

Een ander buur mengt zich in onze tête-à-tête, doet zijn zegje en geeft aan zelf een social-controller te zijn. Een social-controller! Wat dat ook in Gods naam mag betekenen. Hij loopt mensen na die eenzaam zijn en kijkt wat hun behoeften van het moment zijn. Een gesprek, een praatje, een luisterend oor of een helpende hand.
“Waarom kom je dan nooit bij ons langs, wij zijn ook alleen.” Merk ik op.
Vriendelijk lachend zwaait hij naar ons en loopt dan de hoek om.
“Zie je nu wat ik bedoel?” Zeg ik. “Woorden zijn het, niets dan lege woorden. Het zijn alleen maar mensen die zij zelf binnen hun kring kennen maar de echte noodlijdenden blijven mijns inziens onbekend- en niet geholpen.”
Buurman kijkt bedenkelijk, eerst naar de almaar donker wordende lucht en dan weer naar mij.
“Wat wil jij eraan doen dan?” Vraagt hij.
“Wat kan ik eraan doen? Hoe zou je trouwens die groep onbekenden moeten herkennen? Ik loop daar vaak over na te denken. Ik bedoel: iemand die eenzaam in zijn- of haar huisje zit en niemand meer heeft? Iemand die de deur niet uit kan vanwege een gebrek of handicap. Wie zou zo iemand dan om hulp kunnen bellen? Een instantie? Die hebben ellenlange wachtlijsten. Een buur dan? Die werken meestal of hebben andere dingen te doen. Kinderen? Ach: die hebben het zo druk en wonen meestal erg ver weg. Snap je wat ik bedoel?”
Met gefronste wenkbrauwen kijkt hij mij aan en ik zie dat hij de tijd neemt om na te denken.
“Snap je?” Zeg ik. “Die groep kan toch moeilijk schreeuwend de straat op rennen dat zij eenzaam zijn?”

Ik ga naar boven, maak een bak koffie en ga dit epistel schrijven. Terwijl de melk het kookpunt nadert leun ik, alles nog eens overdenkend, op de vensterbank. Ik zie het regenen en bedenk:  “De regen daalt als een ragfijn gordijn uit de hemel neer.”
Beeldspraak natuurlijk, want eigenlijk is het gewoon kutweer.

©Prlwytskovsky.

Frederique

Tags

, , , ,



Fredjes is dood. Al een tijdje hoor. Voor het geval je je afvraagt wie Fredjes is leg ik je dat even uit. Fredjes was namelijk een oude buurvrouw van mij, in leeftijd en in buurjaren. Eigenlijk was haar naam Frederique maar ik noemde haar altijd gekscherend Fredjes. Vandaar dus. Zij woonde destijds naast mij hier op de negende etage, samen met haar man en een rothondje; maar die laatste even terzijde.

Haar voorgeschiedenis is dat zij ooit in het lange stuk van onze flat woonden maar door de vooruitgang gedreven verhuisden zij naar Spijkenisse, naar een koop woning. En eigenlijk beviel het haar daar voor geen meter en dus wilde zij, door heimwee gedreven, terug naar Schiedam. Het toeval wilde dat hun voormalige huis hier net was vergeven aan een nieuwe huurder. Pech dus. Anders hadden zij dus zo in hun vorige huis kunnen intrekken, maar nu kregen zij dus woonruimte naast mij. God hebbe bij voorbaat hun zielen zou je denken? Maar niets was minder waar. Een leukere buur had ik mij hier nooit kunnen treffen. Altijd klaar voor een praatje hier op balkon, of waar zij mij ook tegen kwam. Ongevraagd was ik altijd op de hoogte van het wereld gebeuren in onze flat.
Andere buren deden hun muil niet open, nooit. Ja hooguit voor een goedemorgen maar daar had ik dan ook alles mee gehad. Buiten stond ik vaak met haar te praten, en ook dan zagen andere buren van de galerij dat en kwamen er soms ongevraagd  bijstaan maar negeerde mij. Waarom? Geen idee! Waarschijnlijk omdat ik toen nog tot de werkende kaste behoorde en zij eigenaren waren van bedrijven? Wie het weet mag het zeggen.

Maar dan gaat Fredjes met haar man verhuizen naar de overkant, een nieuwbouw etage. Volgens haar man hebben ze daar metertjes op de verwarmingen en dat zou hun stookkosten aardig drukken. Zo was zijn oordeel. Saillant detail is dat hij na een jaar daar gewoond te hebben overleed. Dikke pech. Als ik Fredjes op straat tegenkom en met haar praat geeft zij aan spijt te hebben om naast mij weg te zijn maar nu niet meer terug kan.
Dan komt er een periode dat ik haar eigenlijk niet meer tegenkom. Niks mis mee. So far. Maar die periode duurt te lang. Alles bij haar is en blijft gesloten. Tot dat ik op een zaterdagochtend mijn andere buren in smetteloze gepaste kledij langs mijn huis zie lopen. Vraagteken op mijn hoofd, maar och …

Des middags ga ik naar beneden om mijn brieven bus leeg te halen. Uit mijn ooghoek zie ik een rouwkaart aan het bellenblok hangen. Ik lees de kaart en schrik me twintig hoedjes. Fredjes is overleden en blijkt hedenochtend begraven te zijn, zo lees ik.
Waarom heeft die gerimpelde tering kut van verderop mij niet even gewaarschuwd en bijgepraat? Nu zit ik met wroeging. Fredjes is dood en ik kan niets meer betekenen.

De weken erna zie ik die huichelaars wel voorbij lopen hier maar iets zeggen is er niet bij. Nee, al zou ik  hier tien maanden dood in huis leggen dan zal er niemand eventjes bellen hoe het ermee gaat. Hooguit de geur, en de vliegen zal hun tot klagen nopen de huisbaas te informeren over de stank.

Maanden daarna sta ik mijn ramen op de galerij te zemen. Rimpelbuurvrouw komt eraan en vraagt of ik aan zemen ben. Zegt dit iets over haar iq of weet zij gewoon niet beter? Tijdens haar zeldzame praatje kijk ik opvallend vaak naar de overkant maar zij reageert niet. Had ze moeten doen ja, haha ….. dan was ik losgekomen en hadden ze reden om nooit meer tegen mij te praten.

Maar straks, in de eerste week van september, is Fredjes een jaar weg. Voor haar schrijf ik dit. Voor mijn spontane buurvrouw met haar altijd vriendelijke woorden.
Het ga je goed Frederique. Ik zal je altijd gedenken als een fantastische buurvrouw.

©Prlwytskovsky.

Zeldzaam en heet

Tags

, , , ,



Stilte, niets anders dan een doodse geluidsloze stilte ervaar ik als ik naar het panorama kijk dat zich voor mij ontvouwt als ik Schiedam-noord uitloop: een plattelands tafereel. Een vervallen boerenschuur met donkergroene deuren, gehangen in roestige hengsels, en met een rood pannendak; en een erf met daarop bandensporen die door elkaar heen lopen. Ik kijk omhoog en zie een strak blauwe hemel. De zon brandt op mijn vel en zweetdruppels lopen over mijn voorhoofd in deze drukkende stilte. Voel je het? Die warmte?
Vanuit de verte meen ik het zachte geluid van scharrelende kippen te horen, een geluid dat even snel weer verdwijnt als dat het opgekomen is. Het erf ligt er leeg en verlaten bij. Zouden hier mensen wonen?

Een regelmatig ge-plok hoor ik naderbij komen … “plok-plok-plok-plok…..”. Met het sterker worden van dit geluid herken ik de loop van een tractor. Een groengeel gekleurde John-Deere komt aanrijden en hobbelt om de schuur heen. Gedempt door de schuur verstomt het geluid en ik hoor alleen nog het gestommel van een mens die dingen neergooit, het piepen van een deur; een blaffende hond. Hierna overheerst de drukkende stilte het geheel.
Ik draai mij om en loop verder langs een dijk met daarachter het water de Schie. Bijna strak ligt het wateroppervlak erbij. De zon brandt fel op het water en je voelt de warmte op je gezicht weerkaatsen. Je kunt vrij diep in het water kijken en waterplanten zien. Een grote petrol-kleurige libelle scheert zoemend aan mij voorbij en landt op een rietstengel. Aan de overkant kwaakt een kikker. Een watervogel heeft een meter uit de kant een nest gebouwd, maar is op dit moment niet thuis.

Het geluid van een voort zwoegend bootje wordt luider en luider. “Proet-proet-proet ….”. Een man met pet, gestoken in een blauwe overall en gele klompen, staat aan het roer. Het bootje is leeg. De man knikt en zwaait naar mij. Ik zwaai terug. Het beeld en het geluid lossen op in de omgeving en weer overheerst die drukkende stilte.

Zomaar een zomer in Nederland: heet en onverwacht. Mijn shirt plakt aan mijn body en ik speur naarstig naar een uitspanning die gebrouwen gerstenat verkoopt.
Op het terras houd ik stil en bestel een tapbiertje.
“Kijk nou verdomme uit wat je doet”. Brult een vader tegen zijn zoontje, als het kind zijn vader een knuffel wil geven en daarbij zijn bier omstoot.

Ik denk terug aan mijn wandeling, hoe vredig is het daar en hoe vrij voelde ik mij daar.
Na afgerekend te hebben loop ik terug door de polder en geniet van deze zeldzame snikhete Nederlandse dag.

©Prlwytskovsky.

Toiletbezoek

Tags



Iedereen heeft wel eens last van aandrang op momenten dat het je niet helemaal uitkomt, bijvoorbeeld als er helemaal geen toilet in de buurt is of als je haast hebt. Een dikke boom uitzoeken in een druk winkelcentrum is al helemaal geen optie. Maar wat dan wel?

Ik zie een klein zaakje waar mensen aan kleine tafeltjes een appelpunt eten of met een stuk kersenvlaai met slagroom verlekkerd de voorbijganger zijn ogen uitsteekt. Dit beeld verbond ik meteen aan een de mogelijke aanwezigheid van een toilet en daarom stapte ik kordaat het zaakje binnen.
Eerst keek ik speurend in het rond en zag achter in de zaak toiletdeuren dus ik kon mijzelf geruststellen en bestelde bij de serveerster koffie en een appelpunt met slagroom.
“Smijt maar neer.” Zei ik. “Ga ik ondertussen even daarheen.” En wees in de richting van de achterkant van de zaak. Zij knikte dat zij mij begreep.

De ingangen van de toiletten zijn gelardeerd met een soort poortwachters in de vorm van aan beide zijden geplaatste tafeltjes met bijbehorende etende en pratende mensen. Wist ik dit van tevoren dan had ik gisterenavond witte bonen met uien gegeten.
Als klein behuisd koffiezaakje moet je nu eenmaal effectief met de beschikbare ruimte omspringen, nietwaar? Een gekregen paard mag je niet in de bek kijken want in dit geval is er een toilet aanwezig en daar gaat het mij nu even om.
De deur van het toilet gaat naar binnen toe open; ik kom in een soort voorportaaltje met een wasbak en een spiegel. Ik probeer de deur achter mij dicht te krijgen maar dat past niet omdat ik er klem tussen sta. De tweede deur, die naar het toilet, slaat naar mij toe open maar de openstaande kier is niet ruim genoeg om mij door te laten. Ik zal terug naar buiten moeten om met een nieuwe strategie het toilet te bezoeken.

Ik denk na …..

Verbaasd kijkend buitengekomen kijken de poortwachters mij meewarig aan maar gaan onverschrokken verder met hun gesprekken, de man in nood hopeloos aan zijn lot overlatend. Ik open nogmaals de toegangsdeur, kijk naar binnen en overzie de situatie. Ik stap het vertrek in en trek de volgende deur helemaal open. Nu loop ik door, voorbij het wasbakje zelfs en trek de buitendeur achter mij dicht. Er zit geen haakje op deze deur. Eindelijk sta ik oog in oog met de zo fel begeerde toiletpot en trek de deur achter mij dicht, het schuifje duw ik naar links en laat mijn opgekropte spanningen de vrije loop.
En nu? Ik zal ook weer terug naar buiten moeten. Geruime tijd denk ik na hoe ik dit vraagstuk moet oplossen en wel in omgekeerde volgorde. Stap voor stap volg ik mijn gevoel en het lukt mij eindelijk de uitgang te vinden. Opgelucht stap ik op mijn tafeltje af waar de koffie met gebak al klaar staat.

Er loopt een man op de toiletdeur af; nieuwsgierig kijk ik toe hoe dit afloopt. De buitendeur van het toilet wordt gesloten en ik hoor een hoop gestommel. Niet veel later komt de man weer naar buiten en kijkt hulpeloos om zich heen, je ziet hem wikken en wegen en een volgende poging wordt ondernomen. Wederom komt de man weer naar buiten en vraagt hierbij aan de poortwachters hoe één en ander in zijn werk gaat. De poortwachters zijn in dit geval dames dus die hebben geen ervaring met deze toegangsdeur en vertellen hem dit ook.

Mijn bordje is leeg en ik ga afrekenen. Naast mij staat de man met de hoge nood en hij vraagt mij hoe ik dat heb opgelost om daar binnen te komen.
“Beste man.” Zeg ik. “De vraag is niet hoe je er binnenkomt maar eender hoe je er weer uitkomt.”
Als ik over zijn schouder kijk zie ik twee dames naar het andere toilet gaan. Hier zou je voor je lol de hele dag blijven zitten, maar dat is budgettair ondoenlijk.

©Prlwytskovsky.

De Visvrouw

Tags

, ,



Gezellig kuierend door het winkelcentrum krijg ik trek van de luchten die ik opsnuif. Gebakken vis bijvoorbeeld! Whooowh. Snel mijn mentale Tom-Tom instellen op “Lokale Vispik” en het spoor volgen.
Er staat gelukkig niet veel volk in de zaak. Een oude man met pet, waarschijnlijk Jan. Een ander figuur staat vol bravoure te wachten. Beide worden snel geholpen en ik haal diep adem omdat ik dan aan de beurt ben en mijn bestelling kan plaatsen, zoals dat in vaktermen heet.  Maar Jan toetst zijn pincode verkeerd in. Paniek! Twee dames van de bediening staan om Jan heen om hem te helpen en ik adem langzaam uit. Jaloezie maakt zich van mij meester want dat zou ik ook wel willen. Twee aantrekkelijke visw… dames onder handbereik.

Achterin de zaak staat een stuk chagrijn haringen schoon te maken als hij mij ziet en de situatie aan de toog. Zijn handen afvegend aan een oude dweil loopt hij op mij af en zegt met tegenzin: “Kankie hellepe?”
“Lijkt mij wel.” Zeg ik. “Want ik sta hier al een uur te wachten.” En vraag hem twee guppies. “Goed aan beide kanten doorbakken graag.”
“Guppies?”
“Ja Guppies, is dat zo raar? Ik krijg vanavond mee- eters en dus wil ik goed voor de dag komen. Heb hier om de hoek net peentjes gekocht en dus leek mij een visje erbij wel een goed idee.”
“Man, het is hier een zeevis handel, en geen sierviswinkel.” Het stuk chagrijn draait zich om en wil weglopen maar ik roep hem na dat ik gewoon twee dooie vissen wil kopen.
“Wat voor vis wil je dan hebben?” Draait hij zich geïrriteerd om.
“Hoe bedoel je? “Vraag ik. Doodnormale vraag toch? De visvrouw draait zich om en ziet mij staan.
“Ik help hem wel.” Zegt ze, het chagrijn opzij duwend. “Twee lekkerbekjes zeker?” Lacht ze.

Eindelijk een vrouw die mij begrijpt.

©Prlwytskovsky.

Bromnozems

Tags

, , ,



Er zijn verschillen tussen jongens en meisjes, en hun driften. Ik weet dat omdat ik in mijn leven geprobeerd heb om allround te worden. Allround op alle gebieden maar vooral op het gebied van tot hoever ik kan gaan voordat ik een lel krijg en daar wil ik het nu even over hebben. De lezer dezes leeft zich nu al kostelijk in over hoe mijn leerperiode zich heeft ontwikkeld: je ziet het al voor je? Ik geef toe, ik kwam soms een los poezelig handje tegen maar daar had ik het dan ook zelf naar gemaakt. Maar ja, we waren toen jong en vooral onervaren, dat bleek vooral uit de reacties van vaders en moeders die hun dochters met hart en ziel bewaakten.

Even ter verduidelijking: ik praat over 1964 en wij hadden met vier vrienden een brommerclubje die de 60’s onveilig maakte en om nu alleen maar met vier knullen te gaan scheuren dat was maar niks en dus zochten we meiden op want die waren in grote getale voorradig in die tijd. Gekleed nog met wijde hoepelrokken aan het begin van het mini tijdperk, met een knot haar van vier meter hoog op hun hoofdjes en sommigen daarvan wilden wel bij ons achterop. Ondertussen lachten wij elkaar natuurlijk hartelijk uit wie er het meeste voor lul reed met zo’n ding achterop maar dit even ter zijde want dat is mannenpraat.

Onze brommers reden wel 48km/uur wat in die tijd op zich al erg gedurfd was. Wij waren destijds waaghalzen. Wie er achterop zat was niet belangrijk als er maar iemand achterop zat, dus vlogen we door kuilen en bochten zodat we bijna omkieperden; met gillende keukenmeiden achter ons die gillend en beukend op onze ruggen mepten maar ach: die poezelige handjes he. Toen wij stopten bij een graskantje naast een sloot gingen de meisjes langs de kant in het gras zitten. Als rechtgeaarde bromnozem kon ik het niet over mijn kant laten gaan om mijn mede passagiërre links te laten liggen, of zitten in dit geval. Ik dook er dus maar meteen bovenop en plakte mijn mond op die van haar. Even later begon ze te spartelen en te meppen, en ik dacht nog goh hè: ben ik zo goed? Maar toen ik mijn mond van haar mond afhaalde en zij meer ruimte kreeg, kreeg ik mijn eerste lel. Mijn wang gloeit er nog van zo hard, naar bleek lag zij met haar welgevormde kontje in de brandnetels.

Hierna brachten wij de meisjes weer keurig naar huis, want zo waren wij. Voor de deur stonden dus vier brommers te knetteren met vier luid lachende gasten. Even later hoorden wij een geluid boven ons en weer even later waren we kleddernat. Een gebalde vuist met daaraan een boze vader had een emmer water uit het raam gekiept. Mijn vriend was geheel ontstemd hierover en trok uit alle macht het ventiel uit de fietsband van de fiets die voor de deur stond. Smalend lachend scheurden wij ervandoor.

De week hierna zagen wij het meisje lopen die mij die lel had verkocht. Ze liep te lachen en wenkte ons. Toen wij bij haar waren zei zij schuddebuikend van de lach: mijn vader heeft geen fiets.

©Prlwytskovsky.

De vispik

Tags

, , , ,



Op mijn dooie akkertje kuier ik door het Schiedamse winkelcentrum aan de Zwaluwenlaan. Dat ik niet de enige ben met dit idee blijkt uit een wandelpad vol met sjokkende en schuifelende mensen. De chicane bij het groenteboertje is versperd met pratende mensen die ook zo nodig hun fiets mee moeten nemen in plaats van dat zij hun rijwiel in de doorgangen plaatsen; met moeite kun je er net langs. Een rijwiel, als uitdrukking, klinkt vele malen zachter dan ‘een fiets’. Toch?
Verbaasd kijken de wegversperders(sters) mij aan, als ik mij al mopperend door hun blokkades heen wurm. Zelfs hier, in deze smalle passage, is sprake van filevorming; een menselijke wel te verstaan. Rot op, ga ergens anders staan ouwehoeren, denk ik dan.
Maar niet getreurd, ik sla rechtsaf en kuier de doorgang in waar de heer Heijn zijn nering drijft en de ING want bij hun flappentap moet ik even zijn. Altijd handig om een eurootje op zak te hebben vind ik, dus ik ruk er tien uit; meer een wanhoopsdaad dan dat ik dit verstandelijk kan beredeneren.

De hele week al loop ik met het idee rond om een paar lekkerbekkies te scoren bij de plaatselijke visboer, dus voeg ik nu de daad bij het woord en loop terug om bij de bloemenboer rechtsaf te slaan en via de horlogeboer bij de visboer uit te komen. Mijn verbazing wordt geschertst doordat er niemand in de zaak staat: ik ben de enige. Of de eerste of misschien wel de laatste? Wie zal het zeggen.
Een jongeling komt handenafvegend aangelopen en vraagt of hij mij kan helpen. Hij doet dit met een ontzettend geaffecteerde uitspraak. Lijkt mij wel handig als je mij wilt helpen want dan kom je nog eens van je ambulante handel af, pareerde ik. Wat mag het zijn, hete aardappelde hij door. Doe mij maar twee lekkerbekkies, zei ik. Die zal ik dan vers voor u bakken, zei hij en vroeg mij even geduld te hebben.

Een klein krom omaatje komt gebukt leunend op een stok de zaak binnen strompelen; haar rollator achter zich aan slepend. Waarom zou je eigenlijk een rollator voor je uit duwen en er op leunen? Nieuwsgierig snuffelt zij langs de vitrines en houd stil bij de makrelen. Hete aardappel vraagt of hij haar kan helpen. Zijn deze makrelen vers, vraagt oma? Ja mevrouw, alles wat u hier ziet is vers. Hij verkoopt haar een makreel bijna zo dik als mijn onderarm. Zij geeft zeker een feestje in de bejaardensoos, dacht ik?
Oma strompelt, met haar aankoop, de winkel uit en ik zeg tegen die hete aardappel: je had moeten zeggen dat die makrelen er al 4 weken liggen, hahaaaa geintje. Nee nee mijnheer, dat doen wij niet; wij moeten onze naam hoog houden en eerlijk antwoorden op de vragen van klanten.

Pfffff … dat heb ik weer, een humorloze vispik.

Nou oké, als je dan eerlijke antwoorden geeft aan je klanten kun je mij dan vertellen waar de leefgebieden van lekkerbekkies zijn, waar worden die gevangen? De jongeling kijkt mij nu schaapachtig aan, hij is letterlijk uitgeluld. Dat zou ik zo niet weten mijnheer herriep hij zich, maar ik kan het voor u navragen stuntelde hij. Doe maar geen moeite zei ik en rekende mijn lekkerbekkies af.

Ik wandel de winkel uit en loop via de doorgang bij de marskramer naar de parkeerplaats, maar die doorgang is nu rijkelijk voorzien van fietsen. Daarnet met die pratende mensen met fietsen wilde ik niets liever maar nu de fietsen massaal in de doorgang staan is er weinig ruimte voor een gehaaste passant als ik. Vrouwen met overbeladen tassen alsof er een hongerwinter aanbreekt, proberen de tassen aan hun rijwiel te hangen. Ik hoor een hoop herrie en zie dat er een tas niet al te zachtjes van een fiets lazert. Hartgrondig staat de vrouw te vloeken. Wat is dit nu voor een taal voor een dame merk ik op, maar ze reageert niet. Tenzij dit geen dame is?

Is dit contactarmoede van deze vrouw of gaat het dieper, naar een moeilijke jeugd of misschien zelfs zover terug  naar die mislukte verkering met een vriend die destijds in een corsetterie werkte en daarbij zijn klanten onzedelijk betaste door hun op te meten wat op zich ervaren werd als een gewenste intimiteit?

Mijn lekkerbekkies smaken heerlijk, vers wit boterhammetje erbij en wegspoelen met een beker volle melk. Ja, ik ben gezond bezig.

©Prlwytskovsky.

Dialoog in bed

Tags

, , , ,


Mijn zevende aanstaande ex-vriendin en ik liggen samen in bed. Met onze handen onder onze hoofden kijken wij beide naar het plafond en filosoferen …
“Schattie” vraagt ze opeens: “ben ik de enige in je leven?”
“Ja hoor,” zeg ik: “dat ben je.”

Even stilte en dan …: “Ben ik echt de enige?”

“Ja hoor schat, je bent echt de enige in mijn leven.”
“Dus er is echt helemaal niemand anders op dit moment?”
“Nee schat, er is nu niemand anders in mijn leven: alleen jij!”
“Was er vóór mij dan niet iemand?”
“Vóór jou waren er: Madeleine, Lucille, Marjolein, Julia, Nellie, Ria, Irene, Anneke, Mirjam en Corrie. En nu zijn er …..
Schatje-schatje waar ga je nou heen, waarom loop je nu ineens weg?”

©Prlwytskovsky.

Mens en natuur

Tags

, , ,



De mens moord, de mens breekt af, de mens brand plat, de mens hakt om, de mens roeit uit.
Welk mens is zo dom om zijn eigen huis in mootjes te hakken om het in de kachel op te stoken of om zijn appelboom in blokken te hakken voor in de open haard om het in een barre winter maar een beetje warmte te hebben? Waar kun je dan nog in schuilen en wat kun je dan het volgende seizoen eten? Wat is het eigenlijke doel van het leven, van dat kopje thee, van die bloem, van dat fruitvliegje, van die glimlach, van dat compliment?

Zaden van bomen en planten die op mijn balkon waaien gooi ik niet weg. Ik verzamel ze en gooi ze over mijn balkon. Ik laat ze ’s nachts door de wind wegvoeren en tegen een heldere sterrenhemel zie ik ze fladderen, op weg naar een nieuwe bestemming waar zij kunnen uitgroeien.
Alles heeft toch een betekenis en een doel? Doelen die wij mensen niet begrijpen of niet kunnen begrijpen. Wij mensen doen er al helemaal geen moeite voor om begrip op te brengen voor welk leven dan ook. Respecteer het leven zoals jij het leidt en begrijp waarom dingen zijn zoals zij zijn en accepteer dat! Keuzes heeft de mens ‘ooit’ gemaakt, daar hebben wij het nu niet over. Waar het nu om draait is om die gemaakte keuzes te begrijpen en de gevolgen daarvan te beheersen. Pas als je weet wat bijvoorbeeld de dood betekent, dan pas kun je het leven naar zijn waarde schatten, maar daag dit niet uit.

Planten en dieren zijn de eigenlijke bewoners van deze aarde en wij mensen zijn hier maar te gast. Hoe arrogant is het van de mens om complete wouden kaal te branden om op de vrijgekomen vlaktes soja bonen te planten waarbij na enkele jaren de erosie toeslaat en er niets meer groeit op deze vlaktes? Zonder na te denken wordt het volgende regenwoud platgebrand! De hunkering naar nog meer en nog beter leidt tot de uiteindelijke ondergang van de mens, door zijn eigen toedoen welteverstaan; echter zonder dat hij dit beseft. Wie is de mens eigenlijk, dat hij deze afbreuk ongestraft kan doen?
Dan denk ik nog wel eens terug aan een gezegde dat ik mijn oma hoorde zeggen op haar 89e jaar; haar zienswijze over wat een mens is:

Een mens is maar een mens.
Beetje stront beetje pis,
da’s alles wat een mens is.

©Prlwytskovsky.

Lentekriebels en de op hol geslagen mens

Tags

, , ,



Het is weer zover: de krokusjes staan weer in bloei. Bomen lopen uit en krijgen zowaar al kleur. Een vrachtwagen komt eraan gereden en mannen in oranje kleding stappen uit. Zij dragen een schop en een hark, en gaan de grond tussen de struiken te lijf. Een vogel vliegt weg. Één man haalt een stuk zwerfvuil weg, het is een voorpagina van een huiskrant met een paginagrote foto.
Alles wordt geschoffeld en aangeharkt. Na een week hard werken ligt het park er als een pronkjuweel bij. Je zou zelf zover kunnen gaan te fantaseren dat je vriend langoor ziet, met zijn mandje vol ovale lekkernijen. Huppelen doet hij niet want hij is al aardig aan het uitdijen voor de eerstvolgende kerst. Dan fungeert hijzelf namelijk als feestmaal.

Ook in dit seizoen is de mens bezig met zijn gezondheid. Zowel mannen als vrouwen proberen op hun manier hard te lopen op speciaal schoeisel, en in joggingpakken met kleuren waar je scheel van word. Bij sommige vrouwen zwiebert en zwabbert er van alles in die niets verhullende joggingpakken, en de stappen die zij nemen zijn niet groter dan één schoenlengte. Zwetend en puffend sjokken zij voort; draden met kwijl en snot voor zich uitstotend. Een hond kijkt er minachtend naar.

Een ambulance met blauw zwaailicht siert de zaak op. Mannen in gele outfits bewaken de parkoersen. Want dat hoort er nu eenmaal bij, bij de op hol geslagen mens. Helaas zonder fanfarecorps. We kunnen nu eenmaal niet alles hebben.
’t Schijnt joggen te heten. Je ergens heen spoeden waar je niet wordt verwacht. Zinlozer kan ik het mij haast niet voorstellen. Ze zijn goed bezig met zichzelf. Mij zegt het allemaal niets.

Als alles voorbij is loop ik over de verlaten paden in het park. De ambulance is vertrokken, evenals de in het geel gestoken broeders. Platgetrapte krokusbedden en samenklonterende tissues sieren als dank de paden na deze recreatieloop. Over het bruggetje zitten twee oude dames op een bankje angstig om zich heen te kijken. Een schommel beweegt nog langzaam na.
Net als een uur geleden ligt het park er weer verlaten bij en keert de rust weer.

©Prlwytskovsky.