Buren



Vandaag ben ik zo los uit het handje op pad geweest om voer, drank en meer van dat soort dingen in te slaan. Lopend wel te verstaan want een mens moet toch in beweging blijven nietwaar? Op de terugweg kom ik een buurvrouw tegen die ooit wel eens op vrijwillige basis bij mij op bezoek kwam en waar wij ons middels een drankgelag overgaven aan de geneugten des levens waarna wij ons nooit terug zagen. Nou zij dus, die ik tegen het lijf liep. Niet al te letterlijk maar toch. Met een kort gedag knikje gingen wij ons weegs.

Bij de flat ingang loop ik de bijkans tot het interieur behorende tuinkabouter tegemoet. Natuurlijk mee staan praten over koeien en kalveren maar vooral over zijn ziektes. Godsamme …. Alsof je nergens anders over kunt praten dan over ziektes, over dood of nog erger. Maar afijn de tuinkabouter was zijn verhaal kwijt als ik bij de ingang een andere buur tegenkom.
Buur en ik oreren er heftig- en luidruchtig op los. Wij kennen ons namelijk en praten vertrouwelijk met elkaar. Niet over koeien en kalveren maar nee, het gaat dieper. Wij zoeken ongewild en al pratende het diepste punt van ons gesproken woord op. Ik leg mijn gemoed bloot en hij houdt mij ongewild met zijn praat een spiegel voor. Dat schept toch een vertrouwensband vind ik. Een zeldzaam verschijnsel voor de medeflatbewoners alhier.

Ondertussen lopen, krukken en rolstoelen er lang vergeten- of voor mijn part dood gewaande of tot zeer onwelkome tot huisvlieg gereïncarneerde buren langs ons. Ja ook die zogenaamde aardige buuf waar ik ooit moeite voor deed zoals ik daarnet beschreef, passeerde ons. In een ver verleden had ik haar eens zover gekregen dat ze mijn toenmalige optrekje durfde te betreden alwaar wij samen een fles met een ondefinieerbare inhoud ontkurkte, decanteerde en soldaat maakte. Hierna heb ik haar nooit meer gezien. Lag dat aan de goedkope sulfietwijn of tarten wij destijds ons lot met dit Bacchanaal? Vergeefse moeite vond ik mijn love balts. Dat zij gezegd. Maar zij dus, die was het die ons passeerde en haar arrogante poezelige muil niet open deed en parmantig langs ons heen liep. Parmantig, zoals kwaadaardige buren kunnen blijkgeven en je het idee geven dat je tot een soort parasiterend stuk ongedierte behoort. Piggelmee is er ook zo eentje. Die loopt parmantig met zijn kuthondje vriendelijk lachend door het park maar scheld ondertussen iedereen voor rotte vis uit die hij maar tegenkomt. Marinier was hij ooit. Dat vertelde hij mij destijds toen hij nog vrijelijk tegen mij praatte waarna ik hem de bek snoerde en het nooit meer iets met ons werd.

Bij de lift staat een andere buuf te wachten. Zij vraagt hoe het met mij gaat. Dus ik zeg mwahh goed ja. En meteen begint ze met: nou met mij niet hoor want ik heb dit en ik heb dat en ik moet naar het Ziekenhuis omdat ……. en mijn man ….
Gelukkig komt de lift er aan en stappen wij in. Op de tweede etage moet zij er Goddank uit en dat geeft mij lucht om weer normaal te ademen en op groen te springen.

Buren. Een noodzakelijk kwaad of een sociaal gebeuren? Zolang de onderwerpen maar in mijn straatje passen kan ik er niet mee zitten maar ohweej als je vraagt hoe het ermee gaat. Dan graaf je in een beerput.

©Prlwytskovsky.

Harvest Moon

Tags

, , ,



Wat is de betekenis eigenlijk van deze woorden, wat bedoelt men ermee? Harvest moon. Een Harvester is volgens mijn vertaling niets anders dan een sprokkelende houthakker. Nogal platvloers hè? En moon is gewoon een maan; iets anders is dat niet. Dus een sprokkelende houthakkende maan? Niet echt iets om opgewonden over te raken.

Maar laten we eens verder denken en er dieper op ingaan. Als we dit nu eens lyrisch gaan bekijken dan is er toch wel meer van deze twee woorden te maken?
Als ‘moon’ bijvoorbeeld een aanduiding is voor een geliefde en de Harvester sprokkelt zijn dagelijkse veroveringen bijeen. Dat klinkt al beter hè?
En bij dagelijkse veroveringen moet je denken aan een woord, aan een lach, aan die ene aanraking; die glinstering in haar ogen. Je vertelt haar daarbij de mooiste dingen. Hand in hand lopend over een strand met een ondergaande zon onder een roodgekleurde hemel. Poëtisch toch?

Maar wie anders dan ik zou dit beter kunnen verwoorden dan Neil Young, die deze lyric bezingt op een manier dat je de player op repeat wilt zetten. http://www.youtube.com/watch?v=RMA-_ElvKsk 

Ik hoop dat jullie er ook van kunnen genieten, zoals ik dat deed, doe en ga doen.

©Prlwytskovsky.

Roeiers en Sjorders

Tags



Roeiers zijn figuren die niets anders doen dan roeien en sjorders doen niets anders dan sjorren. Het zijn echter wel degelijk eerlijke Nederlandse beroepen. Dit even ter verduidelijking. Maar wat heeft het één nu met het ander te maken?
Ja oké, een roeier is iemand die roeit en waar mogelijk met de riemen die hij heeft. Hij? Ja hij! Want ik heb nog nooit een vrouwelijke roeier gezien in het hierna bedoelde beroep. Typisch mannen beroep dus. Dat is met sjorders net eender, want ik heb nog nooit een vrouw zien sjorren.

Waar gaat dit nu over?

Denk eens even aan de scheepvaart. Er komt een zeeschip binnenlopen dat beladen moet worden. Dat een zeeschip binnen ’loopt’ is vakjargon en moet niet al te letterlijk worden genomen. Maar hij loopt dus binnen en moet worden aangelijnd, vastgebonden zeg maar. En dat doen dus roeiers! Roeiers leggen een zeeschip vast aan de kade. De link met sjorders is touw; meer niet. Een roeier maakt een schip vast en een sjorder de lading. Zo simpel is dat. Een loods daarentegen stuurt het schip veilig de haven binnen maar is tegelijkertijd ook een gebouwtje waarin bijvoorbeeld tuingereedschap wordt opgeslagen.

Wat een taal hé, “Nederlands.” Om gek van te worden toch? Maar zo weet ik er nog wel een paar …

Uitzonderlijk, zei de begrafenisondernemer: het is niet meer wat het geweest is en hij ging op kroegentocht. Dat hij zijn partijtje dammen verliest en ontdekt dat hij Rotterdam. Achteraf kun je bedenken dat het leuker is om met nonnen te dammen maar beter is dat je met Monnikendam. Theologen, Epilogen om maar te zwijgen over Psychologen. Psycho’s logen zo niet nog harder. Logen? Liegen zij nu niet meer?
Is een minister een mini-ster en papier een volgevreten Ier? Een kapper die is gespecialiseerd in onderscheidingen maar ondertussen met zijn handen in het haar zit. Of een scherpschutter die tegen zijn vrouw zegt: Ik heb je gemist.

Het is een wereld van spraakverwarringen, woordspelingen en misvattingen.

Maar om nu even terug te komen op die regel met die begrafenisondernemer. Uitzonderlijk zegt hij daar.
Uit-zonder-lijk! Zo kun je dat natuurlijk ook lezen.

©Prlwytskovsky.

Biologisch voer en de natuur

Tags

, , ,



Slenterend door de buurtsuper wordt mijn aandacht getrokken door een schap met biologisch voedsel. Vlees, vleeswaren en groenten worden opzichtig maar vooral opdringerig geëtaleerd. Het is wel ietsje duurder dan de gebruikelijke artikelen, maar ja: het is biologisch hè. En juist dat moet de buurtsuperaar doen overhalen tot aankoop. De verleiding niet kunnen weerstaan en dan voor deze keer maar een duo pak biologische tartaartjes in het wagentje gelegd. Gewoon om eens te proberen.

Keurig gebraden zoals te doen gebruikelijk met tartaartjes en het ruikt heerlijk kan ik je vertellen. Biertje opengetrokken en een bio-tartaartje uit de pan geplukt. Met een vork was er slecht door te komen en dus een vleesmes gepakt. Daarmee snij ik moeiteloos door het tartaartje heen. Helaas zijn mijn tanden minder scherp dan het vleesmes: het tartaartje is echt zo taai als de pest. En smaakloos ook nog. Bah! Zonde van mijn €2,67.

En hiermee heb ik dan een brug naar waar ik het eigenlijk over wil hebben. Natuur, milieu en het ingrijpen van de mens in deze; met de daarbij behorende gevolgen.

Kijk: de natuur is tijdloos! Dat zij gezegd! Dit in tegenstelling tot de mens. Mensen veranderen, verbeteren en vernieuwen in hun wereld dingen omdat het hun beter uitkomt maar de natuur doet dat niet; die blijft wat het is en verjongd zich alleen maar door de jaren heen. Een rozenstruik bijvoorbeeld zal over honderd jaar nog steeds een rozenstruik zijn, maar als de mens ingrijpt zal de kleur veranderen en soms ook de groeivorm. Wie zit daar eigenlijk op te wachten? En waarom ‘moet’ dit ingrijpende verzieken van iets moois?
Als de mens ingrijpt in de natuur gaat dat verkeerd; dat loopt dood. Letterlijk dood! Het is alleen maar te doen om de omzet door de diversiteit te verhogen en te vermeerderen, meer en veel, maar vooral ‘vernieuwend’ is het credo. Big deal.

De aarde raakt door dit ingrijpen verarmt en uitgeput, en door erosie zullen hele percelen verworden tot niets anders dan kale vlaktes waarop niets meer groeit. Dan heeft men het over biologisch voedsel en vernieuwde teel methodes. Maar jongens: dan heeft er op den duur toch niemand meer wat te vreten als wij op die methodes overgaan. Groenten moeten de grond worden uitgestampt om in de wereld- voedselbehoeftes te voorzien. Met alle mogelijke middelen.
Biologische groenten echter worden in veel kleinere hoeveelheden geteeld. Onder andere om het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen te gaan waardoor het ook langzamer groeit. Daardoor is er sprake van een veel lagere opbrengst dan de conventionele methoden en zal nog niet de helft van de monden gevoed kunnen worden met wat er daadwerkelijk voor de mensheid nodig is. Dus omdat er zoveel mensen zijn moet er ook méér voedsel geproduceerd worden.
Logische paradox?

“Waar maak jij je druk over man.” Zegt een knul tegen mij als ik hierover oreer tegen een deelgenoot. “Ik scoor hier wel een ontbijtje en verder zal het mij een worst zijn.”
Deelgenoot en ik kijken elkaar aan en denken er het onze van. Mede daardoor gaat de wereld naar de kloten, knikken wij ons toe. Niet door dit soort gasten, maar eerder door het gebrek aan kennis, en betrokkenheid over- en met onze moeder aarde.

©Prlwytskovsky.

Tijd is relatief

Tags

, ,



Toen ik mijn ogen opende zag ik haar gezicht. Een paar warme donkerblauwe ogen keken mij aan. Haar lange golvende blonde haren bedekte haar beide schouders en ik voelde hoe zij met haar handen het dekbed over mij heen trok.
“Blijf maar liggen” zei ze, “ik blijf zolang bij je.”
Ik wilde iets terug zeggen maar mijn mond voelde dichtgeplakt aan.
“Zeg maar niets. Ik heb je in het bos gevonden en ik zal je hier verzorgen tot je weer sterk genoeg bent om te gaan.”

Ondanks dat ik haar nog nooit gezien had of alleszins kende voelde het zo ontzettend vertrouwd aan dat ik mij overgaf aan de situatie en in slaap viel. Elk besef van tijd was ik kwijt en het was mij onduidelijk of het nu nacht was of dag, of maandag of vrijdag maar op die momenten dat ik mijn ogen opende zag ik haar. Zij was er altijd en had altijd een vriendelijk woord, zij gaf mij eten en een warme hartige drank die ik niet thuis kon brengen. Wie is dat vroeg ik mij af, en waarom heb ik haar nooit eerder ontmoet? Ik probeerde terug te denken aan wat er gebeurd was maar er was niets, geen gisteren, geen vorige maand, geen vorig jaar: niets! Wie ben ik, wie is die blonde vrouw, waar ben ik en hoe kom ik hier?

Zij schijnt mijn onrust te zien, komt naast mij zitten en begint mij voor te lezen. Iets dat zij vaker doet als ik mijn ogen open. Dan zie ik haar lippen bewegen en haar ogen van links naar rechts over de bladzijden gaan maar ik begrijp niet wat zij zegt. Haar aanwezigheid met haar warme stemgeluid en haar uitstraling zorgen ervoor dat ik mij voel weg zweven als in een soort droom. Waar zij uit voorlas zag ik niet en ook haar handen zag ik niet, alleen haar hoofd en dat had een betoverende uitwerking op mij.
Ineens stopte ze met lezen en keek mij recht aan.
“Straks ben je sterk genoeg om te gaan, dan kun je terug naar waar je vandaan kom.”
Mijn mond kon ik nu wel bewegen en ik zei haar dat ik helemaal niet weg wilde en hier wilde blijven bij haar want zij had mij helemaal ingepalmd met haar zorg, haar verschijning, haar vriendelijkheid en haar warmte. Ze lachte naar mij en was nu nog mooier met haar parelwitte tanden tussen haar licht gekleurde lippen.
“Als je dat graag wilt is dat goed, je kunt hier blijven.”
Ik wilde haar arm aanraken maar kon er niet bij en ze schudde ‘nee’ met haar hoofd.
“Straks ben je sterk genoeg, je zult het zien” en ik zag haar weg glijden uit mijn gezichtsveld.

Toen ik wakker werd had ik het heel erg koud. Ik voelde om mij heen om het dekbed te pakken maar ik vond het niet. Wel voelde ik iets zachts en korreligs en stelde tot mijn verbazing vast dat ik op de grond lag. Het rook muf en ik hoorde helemaal niets, niet één geluid en ik zag haar ook niet. Ik wist niet eens hoe ze heette maar toch riep ik haar zonder dat er een antwoord kwam. Zij was er niet maar wel die kou, ik lag te rillen van de kou.
Toen ik opstond zag ik een raam waar een spleet licht doorheen viel en liep er naartoe. Het raam klemde en wilde niet open. Overal zaten spinnenwebben en er lag veel stof. Ik liep door het vertrek en zag een luik voor een ander raam dat door de wind heen en weer werd bewogen.

Nu kon ik naar buiten kijken en zag verderop een ambulance staan en politieauto’s met zwaailichten. Zij stonden naast een bergingsvoertuig die iets uit het bos takelde. Het was een zwarte auto die zich om een boom had gevouwen en er was niet veel meer van over. Het wrak werd op de aanhanger gezet en nu pas zag ik dat het om een zwarte Fiat ging en het nummer 6 op de kentekenplaat was nog net zichtbaar. De schrik sloeg om mijn hart want dat was mijn auto. Ik begon op de ramen te bonken en te schreeuwen maar niemand hoorde mij terwijl er toch maar 25 meter tussen ons in zat. Achter mij stond een stoel die ik door het raam wilde gooien maar het raam gaf geen krimp en bleef heel. Ik begon weer op het raam te bonken en schreeuwde en schreeuwde maar niemand hoorde mij. Bloed stroomde uit mijn handen die ik had opengehaald aan het kozijn. De ambulance, de politieauto’s en het bergingsvoertuig met mijn auto reden weg. Niets anders dan een beschadigde boom zag ik nu nog, en bandensporen op het wegdek die vertelde dat er zich iets noodlottigs had afgespeeld op deze bosweg.

Het werd ineens warmer en ik hoorde haar stem die vroeg of ik iets wilde drinken. Ik keek om en zag haar, dat wil zeggen alleen haar hoofd en schouders.
“Waarom kwam je niet toen ik je riep, toen ik je nodig had?” Vroeg ik haar. “En waar ben ik en waarom kan ik niet naar buiten?” Haar beeld vervaagd en ik sta weer alleen.
Schuin rechts kijk ik door het raam naar de overkant en zie alleen die kapot gereden boom. Mijn herinnering is weg zoals ook de herinnering aan gisteren er niet meer is.

©Prlwytskovsky.

Een wandelingetje maken



Je ziet ze wel eens, van die half dove oude mannetjes die op een bankje zitten te turen, met hun handen leunend op hun wandelstok. Een andere oude man met een rollator komt eraan en houdt stil bij de bankzitter:

Zo, ga je een wandelingetje maken?
Nee, ik ga een wandelingetje maken.
Wat? Ga je een wandelingetje maken?
Nee, ik ga een wandelingetje maken.
Ohw, ik dacht dat je een wandelingetje ging maken?
Watte?
Ik ga een wandelingetje maken!
Ohw, en wat ben jij aan het doen?
Ik zit te kijken.
Waaro zit jij dan naar te kijken?
Naar de overkant.
Naar de overkant?
Nee, naar de overkant.
Wat zie je dan aan de overkant?
Daar is een hijskraan aan het hijsen. Huuuche-uche bwuuuhhhhucheeee …..
Istie daar aan het hijsen?
Nee, daar zijn ze aan het hijsen.
Ohw, en daar zit jij naar te kijken?
Ja, daar zit ik naar te kijken.
De hele dag al?
Neeeeeeeeeee, alleen vandaag.
Ohw, en wat zie je dan?
Nou, dadde ze an ut hijsen zijn.
Ohw, en dat vind jij leuk?
Nee.
Waaro doen ze dat dan? Huche-uche bwuuuhhhhuchee …..
Nou, aan de overkant, achter je.
Achter me?
Ja, achter je.
Eeeej ja, nou zie ik het, en dat vind jij leuk?
Neeej helemaal niet. Wuhuuche-uche bwuuuhhhhuche …..
Waarom kijk je er dan naar?
Dat weet ik niet. En wat ben jij aan het doen?
Ik ben een wandelingetje aan het maken.
Wat? Ben jij een wandelingetje aan het maken?
Nee, ik ben een wandelingetje aan het maken.

©Prlwytskovsky.

Hij


  Hij werkte veel en hard, deed trouw zijn boodschappen en onderhield met straffe regelmaat zijn huis. Studeren deed hij ook maar contacten met of in de buurt had hij weinig. Iedereen had hem in zijn leven belazerd of belogen, zelfs z’n vrienden en exen; niets had hij er meer van over. Hij vertrouwde alleen nog datgene dat hij zelf kon waarnemen. Bijzondere dingen hebben zich in zijn leven eigenlijk niet voorgedaan, afgezien dan van zijn gevoelens die tot op het bot werden afgebroken. Hij probeerde te leven zoals het hoorde, eerlijk en oprecht; week in week uit, jaar in jaar uit.

Tot op zekere dag dat hij weer zijn wekelijkse boodschappen moest halen en hij zijn geld telde. Hij kwam tot de conclusie dat de twintig Euro die nog in z’n lade lag niet toereikend was voor vandaag en besloot het geld thuis te laten en te pinnen. Hij ging met de lift naar beneden en eenmaal buiten koos hij de richting van de supermarkt. Op het schoolplein zag hij een stel kinderen en verdiept in hun knikkerspel ging de wereld ongemerkt aan hen voorbij. Het waren vier kinderen die niet van hun spel opkeken.
Er liepen niet al te veel mensen op de straat. Bij het oversteken scheurde een brommer bijna z’n snorharen eraf. Even verderop liep een vrouw zo hard ze kon, ze stak de straat over naar de winkels en eenmaal daar aangekomen sloeg ze rechtsaf en spoedde zich maar voort. Zo te zien nergens heen. Hoe zinloos leek dat.

In de supermarkt was het ook al niet noemenswaardig druk, een oudere vrouw reed met haar karretje over z’n voet.
‘Ohh, pardon meneer’. Zei ze geschrokken.
‘Geeft niet hoor’ zei hij, ‘ik heb er toch twee’. Maar zij reageerde er verder niet op.
Geroutineerd pakte hij zijn boodschappen uit de schappen omdat hij precies wist wat hij nodig had. Bij de vleesafdeling aangekomen wachtte hij geduldig totdat de verkoopsters uitgekletst waren.
‘Zegt u het maar meneer’. Hoorde hij een stem roepen. Hij was met zijn gedachten ergens anders en wakker geschrokken bestelde hij zijn vleeswaren. Ziezo, dat zat erop. Nu nog even naar de kassa om af te rekenen en dan snel naar huis om een lekkere rundvleessoep te maken. Buiten gekomen leek het of er ineens veel meer mensen op straat liepen of vergiste hij zich nu? Hij stak de straat over en liep weer richting schoolplein waar de kinderen nog steeds aan het knikkeren waren. Hij liep eraan voorbij en keek er eens schuin naar. Plots hoorde hij een kind roepen:
‘Wilt u ook even mee knikkeren meneer’? Hij keek om en zag dat een van die kinderen naar hem keek.
‘Kom doe ook even mee’, vroeg een kind aan hem.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn boodschappen naar huis brengen anders smelt mijn boter’ excuseerde hij zich.
‘Een potje maar meneer’, zei het kind en wenkte hem naar zich toe.
‘Oké een potje dan, maar ik heb geen geld bij mij hoor’ waarschuwde hij. Hij zette z’n tassen neer en ging bij de kinderen op de grond zitten met zijn rug tegen de schoolmuur. De spelregels werden hem uitgelegd door een ander kind. Hij hoorde het wel maar het leek zo ver weg en wat was dat voor een gevoel dat zich plotseling van hem meester maakte? Het leek wel of hij op vakantie was. Wat een rust ineens en alle spanningen waren opeens van hem af gevallen. Er waren geen problemen meer of andere zorgen waar hij zich druk om maakte. Alleen dat knikkeren telde en verder bestond er niets. Sinds jaren voelde hij zich weer blij en opgewekt; hij voelde zich weer kind. Wat is het toch een heerlijk gevoel om kind te zijn, dacht hij.
‘Vindt u het leuk’, vroeg een kind aan hem.
‘Ja’, zei hij verbaasd, ‘maar hoe ehhh, waarom eehhh ….’?
‘Blijf dan voortaan bij ons’, vroegen de kinderen als in koor.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn vlees nog braden en nog wat karweitjes doen’. Hij stond op en moest zich aan de schoolmuur steunen anders was hij omgevallen. Dat ging moeilijk en kwam zeker omdat hij te lang op de grond had gezeten. Hij wilde zijn tassen oppakken maar die voelde ontzettend zwaar aan. Verrek dacht hij: ik ben er toch ook mee hierheen komen lopen?
‘Zal ik u even helpen meneer’, vroeg een van de kinderen.
‘Graag’ zei hij, en samen liepen ze het laantje af naar de oversteekplaats. Dat lopen ging ook niet erg gemakkelijk. Het leek wel of hij tegen een steile helling opliep. In zijn gevoel duurde het uren eer ze de oversteek bereikt hadden.
‘Gaat het nog’? Vroeg het kind. Hij keek naar het kind en zag tot zijn verbazing dat er een vrouw van een jaar of veertig naast hem liep. Hij schrok en probeerde terug te denken hoe deze vrouw zo plotseling naast hem kon lopen. En waar was het kind, het was toch eerst een kind?

Samen staken ze de weg over. Een automobilist kwam aanrijden en stopte netjes. Hij kon niet eens snel oversteken al deed hij nog zo zijn best. Tijdens het oversteken zei de vrouw, ‘Mag ik vragen hoe oud u bent, omdat u nog zo kwiek loopt’?
‘58-jaar’, zei hij en ze begon heel hard te lachen.
‘Ja hoor en dan ben ik een kind van acht. Kunt u het nu verder alleen?’ Vroeg ze lachend. Hij zei dat het wel ging omdat de ingang van de flat waar hij woonde vlak voor hem was. Zijn boodschappen waren een zware last en eindelijk was hij bij de voordeur. Hij probeerde de brievenbus te openen maar kon het sleutelgat moeilijk vinden, hij moest bukken om het beter te kunnen zien. Zijn hand bibberde en was knokkelig, het vel hing er ruim omheen. Hij sloeg er geen acht op. Toen hij de lift binnenging keek hij in de spiegel en zag een heel oude man naar binnen schuifelen. Hij schrok zich een ongeluk want die oude man deed precies hetzelfde als hij. Dat ben ik, dacht hij en een gevoel van onmacht maakte zich van hem meester. Maar hoe kan dat, dacht hij paniekerig? Toen de liftdeur openging liep hij naar zijn huisdeur en opende die. Een bedompte lucht kwam hem daar tegemoet en wat een rotzooi zag hij daar. Hij liep de kamer in en zag dat alles onder een dikke laag stof zat, z’n planten waren alleen nog maar verdorde stokjes. In de keuken deed hij de koelkast open en zag dat schimmels zijn voorraad hadden verteerd. Het zag er uit of er jaren niemand had gewoond.
In de badkamer hing iets aan de waslijnen dat op twee spijkerbroeken leek en een zwart windjack; volkomen verpulverd. Terug in de gang zag hij een paar veiligheidsschoenen staan, maat 44. Hij herinnerde zich ineens dat hij daar op liep toen hij nog werkte.
De deurbel klingelde en hij pakte automatisch de huistelefoon -en hoorde een kind vragen: ‘Peter, kom je buitenspelen, gaan we verder knikkeren?’

Enkele dagen later verscheen het stadsblad met daarin een bericht dat er een dode man was gevonden, hij zat tegen de muur van het schoolplein zonder identiteitspapieren.

©Prlwytskovsky.

Een lek bandje

Tags

, , ,


Natuurlijk kwamen er in vroeger tijden ook wel eens lekke banden voor. Gelukkig waren ze destijds alleen aan de onderkant leeg; de rest was nog goed  Maar dan moet er gekrikt worden.
Op de A12 rijdt ik met volle bepakking. Dat wil zeggen motorwagen en aanhanger vol glasscherven van een tonnetje of vierentwintig. En dat met enkel as combinatie motorwagen-aanhangwagen. Met een buitentemperatuur van een graad of 34 en de snelheid op 90 wil het allemaal wel. Vooruit kijkend loop ik in op een geladen combinatie van Waco beton en ik ga naar links. Langzaam ga ik hem voorbij als wij samen ineens een keiharde knal horen.
Hij kijkt naar mij, ik kijk naar hem en samen rijden wij schouderophalend door. Totdat …… er rook van mijn aanhanger af komt en dus moet ik de vluchtstrook opzoeken.

Afijn de band is geklapt en vooral plat, heel erg plat. De vellen hangen erbij en het spatbord is ook al niet meer wat het geweest is. Dus de krik erbij gepakt en zwengelen. Alles wat ik beetpak brand ik me klauwen aan. Maar in plaats dat de as omhoog gaat verdwijnt de krik in het loei hete asfalt. Wat ik al zei: het is namelijk maar liefst 34 graden in de zon. Daar sta je dan, in je eentje, met een lekke piep. Shit mannn. Ik denk na en daar gaat geruime tijd mee heen. Als ik om mij heen kijk zie ik van die hectometer paaltjes met precies de goede maat voor mijn krik. En dus drie paaltjes uit de grond gerukt en onder de krik gelegd. En verdomd: de achteras van de met veertien ton geladen aanhanger gaat omhoog en ik kan het wiel losdraaien. Hoeveel vloeken mij dat heeft gekost kunnen de echte oudere truckers zich denk ik wel voor de geest te halen. Toch?

Ik kan je melden dat ik vooraf eerst bij een tankstation de wegenwacht heb gebeld voor assistentie, maar die waren ‘ineens’ heel erg druk en konden mij niet a la minuut helpen. Het tankstation lag 250 meter verderop en dus ook weer die 250 meter terug lopen. Met een blikkie bier in de hand; dat dan weer wel. Onderweg lastig gevallen door kraaien die mij ervan verdachten hun nest te willen leegroven. Het leven van een chauffeur in die dagen was hard, keihard.
En dus …: toen ik de krik na het wiel wissellen liet zakken en alles opruimde kwam de wegenwacht er aan. Je verzint zoiets niet hé? Met een minuscule oranje zwaailichtje zwaaiend op het eenden dak parkeerde de man zijn Yellow Duck pompeus achter mijn truck; alsof die eend een buffer Mack was. Of iemand überhaupt in die felle zon dat zwaailichtje ooit zou zien? Maar alez. Vol bravoure stapte hij op mij af.
”Kan ik je ergens mee helpen?” Vroeg de Wegenwachter.
“Nee, rot nou ook maar op.” Zei ik uit de grond van mijn hart. “Heb je wat te drinken bij je?”
Heel raar dat na zo’n doodnormale vraag en antwoord die Wegenwachter terug in zijn Yellow Duck stapt en wegrijdt. Een gele eend ja want daar reden de wegenwachters in die tijd mee rond.

Op de A12 ter hoogte van afrit Maarn zie ik een geel wegenwacht wagentje met zwaailicht op de vluchtstrook staan. Als ik dichterbij kom zie ik die wegenwachter van daarnet om een autootje heen lopen. Een lekker wijf staat in de graskant toe te kijken. Ik bedoel: dit gebeurd dus in seconden hé. De wegenwachter pakt goed uit en haalt zo te zien lachend alles uit de kast.
Ik neem zo scheef ga weg de maat en scheur zo dicht mogelijk langs zijn eend. In mijn rechter spiegel zie ik die Wegenwachter met gebalde vuisten staan zwaaien maar dat deert mij allemaal niet meer.

Ik rij!!! En daar gaat het mij maar even om.

©Prlwytskovsky.

Het nieuwe jaar in

Tags


Oud jaar was het gisteren. Oudejaarsdag en oudejaarsavond. Met knallende kurken en knullen die knallen veroorzaken. Totaal ongeïnteresseerd lopen ze door de straat met een zak vol vuurwerk en rotjes. Afwisselend met een kale kop, petje achterstevoren of een capuchon over zich heen getrokken lopen ze zich te vermaken. Schreeuwend en lachend. Maar wat is hun vermaak eigenlijk? Soms haalt er eentje een hand uit zijn zak en vanuit een andere hand licht iets op. De hand gooit iets weg en de knullen lopen verder. Even later een knal. Niemand van het groepje kijkt ernaar of reageert erop. Een zinloze bezigheid lijkt het.
Ondertussen bak ik ze lekker bruin. De oliebollen dus. Zodra ik er eentje kan vasthouden durf ik er pas in te bijten. Liever een brandblaar in me bek dan te moeten wachten vind ik.

Half tien in de avond is het. Aan de overkant zie ik enkele knulletjes vuurwerk afsteken. Acht jaar schat ik ze, beslist niet ouder. Het ene rotje na het andere knalt. Ze werken wel goed samen want de één houdt het rotje vast en de ander steekt het aan. Het rotje wordt weggegooid en ze stappen daarbij twee meter naar achteren. ‘Kan gewoon niets gebeuren’. Zie je ze denken. Een paar tellen later doet hun zevenklapper zijn werk.
“Neem nog een oliebol?” Spreek ik mijzelf bemoedigend toe.
“Pffff …. Ik heb er al 9 op, nu even wachten hoor.” Zeg ik verontwaardigd. Ja ja ik lul tegen mezelf. Gevolg van de leeftijd?

Maar om twaalf uur brandt dan eindelijk het echte vuurwerk los. Een pracht van een show ontvouwd zich boven Rotterdam en Schiedam, ja zelfs vlak voor me giechel door tering knallen vergezeld siervuurwerk. Op het mooiste vuurwerk word ik getrakteerd. Om kwart voor twee lijkt het voorbij en hier en daar gaat nog een vuurpijl de lucht in, en een luide knal met nog wat rotjes. Dan wordt het stiller. Om twee uur hoor ik alleen nog in de verte wat geknal dat eigenlijk geen ‘knal’ meer mag heten. Voordat ik mij ter ruste begeef loer ik nog even over de galerij naar beneden. Er komt een knul aangelopen. Hij draagt een plastic tas. Bij de flat aan de overkant stopt hij en zet zijn tas neer. Hij kijkt schichtig om zich heen, peutert wat in de muur en pakt nog iets uit zijn tas. Dan zie ik vonken en ik verwacht een knal, maar nee: er gebeurd niets. De knul pakt zijn tas op en loopt de hoek om. Nadat hij een paar meter verder is volgt er een lichtflits en een erg luide knal. Knul is inmiddels al de hoek van de volgende straat om en uit het zicht verdwenen. Dan volgt nog een tweede zelfde luide knal en even later nog één. Dan wordt het stil. Wat is hier de gein van? Vraag ik mij af en duik in mijn sponde.

77 miljoen is er aan vuurwerk uitgegeven dit jaar. 77-miljoen!!! Vorig jaar  was het 70 miljoen en dan nu dit. Op tv zag ik beelden van een verkooppunt waar op de kassa zo maar even €228 werd aangeslagen alsof het niks is. €228 in de fik steken en woosh … binnen tien minuten is je geld in rook op gegaan.
Een knul lacht pochend in de camera dat hij voor €2.500,- aan vuurwerk heeft gekocht maar zijn maat doet een stuk beter. Die heeft voor €5.600,- aan vuurwerk in zijn woonkamer liggen. Ja echt waar: in zijn woonkamer!!!
Maar dan hoor je wel anderen openlijk op de social media klagen dat bijvoorbeeld de energiekosten met een paar honderd euro per jaar zullen stijgen en ook het levensonderhoud. Wat gaat hier verkeerd denk ik dan?
Los van het mooie sier vuurwerk vind ik het zinloos weggooien van knallende rotjes een totaal geschifte bezigheid. Ik zie het niet anders dan een wegwerpaansteker kopen en deze ter plekke meteen weggooien. Zinlozer kan ik mij de leut van het verschijnsel ‘vuurwerk’ niet voorstellen. Prachtig om te zien, dat dan weer wel zolang een ander het maar betaald en verder ze muil houd over zijn armoedige maandelijks ‘gekregen’ pecunia.

Maar het is weer voorbij. Na een katerrijk ontwaken is het dan eindelijk nieuwjaarsdag. Het is angstig stil in de buurt en de parkeerplaatsen zijn overvol. Mensen bezoeken elkaar en kinderen bezoeken hun ouders. Zij wensen elkaar alles wat maar wenselijk is. Want zoiets doe je nu eenmaal op nieuwjaarsdag. Nietwaar? Het hele jaar horen of zien ze elkaar niet maar met nieuwjaarsdag is de gefingeerde vreugde met alles wat maar te wensen valt er niet minder om.
Ik bijt nog eens een flinke hap uit mijn zelf gebakken oliebol en giet nog wat jenever naar binnen, bij wijze van nieuwjaarsborrel. Mezelf ondertussen afvragend of ik niet nu meteen die feest-versier-zooi van de muren af moet halen en wegruimen of daarmee zal wachten tot morgen?
Maar ja die traditie hè ….

Het wordt alweer schemer. Twee mensen hebben mij gebeld en gemaild met hun welgemeende goede wensen, verder niemand. Die twee ben ik dankbaar. Kerst -en nieuwjaarskaarten van bekende mensen heb ik er genoeg gehad, met wensen die er niet om liegen. Maar zijn die wensen eigenlijk wel zo gemeend zoals zij beschreven staan?
Snel die hele teringzooi in de vuilbak kieperen. Opruimen! Weg met die zooi! Alles stofzuigen en de herinnering aan 2019 met stofzuigerzak en al in de vuilbak smijten.
Maar dan die ene kaart, van haar. Ik krijg het niet over mijn hart om die weg te gooien.

©Prlwytskovky.

Boom koopt

Tags



Gewoon even een kerstbomenboer gaan zoeken. Zulks kan nooit moeilijk zijn. Toch? Maar dat dingen niet lopen zoals ik denk zal blijken want nergens in mijn buurt is zo’n knakker te vinden. Tenminste: niet op loopafstand. Spijtig kijk ik naar mijn onlangs aangeschafte scheurijzer en neem in gedachte de maatvoering in mij op.
Jullie moeten weten dat ik mij laatst een Fiat500 heb aangeschaft. Een heus scheurijzer dat dan weer wel, maar nog even los van mijn corpulente verschijning past er niet veel meer bij in dat wagentje. Mijn vriendin en haar dochtertje passen er nog net bij maar daarmee houdt het ook op. Zelfs een Fiat kent zijn grenzen. En die grens is wat mij betreft allang bereikt want dat ding zuipt meer dan ik en dan heb je het al snel verbruikt bij mij.

Maar ik had het over een kerstboom, en vooral waar ik die kan kopen. Dus vol goede moed een rondje door mijn wijk gereden maar niets van mijn gading gevonden. Dan de zoekcirkel vergroot en warratje: een bomenpik gevonden. Of hij mij kan helpen vraagt een pokdalig figuur mij. Pokdalig, omdat het kwaad van donkere straathoeken en portieken van zijn gelaat is af te lezen en het teveel aan kroketten en laat opblijven zijn uitstraling bepaald.
“Ik zoek een lekker boompie.” Zeg ik op mijn vriendelijkst.
“Lekker?” Zegt hij lachend. “Eentje met kluit?”
“Ja, maar dan met zonder wortels.” Zeg ik en zoek ondertussen stoïcijns verder.
Zijn ambulante handel aanprijzend komt hij met een keurig boompje aan gelopen. Keurig qua grootte, en qua tak bezetting. Maar om nu meteen uit mijn dak te gaan is prijstechnisch gezien niet aan te raden. Wat dan wel?

“Boom moet aan twee voorwaarden voldoen.” Brom ik hem toe. “Hij moet zo wie zo in de woonkamer passen en bovenal ook in mijn Fiat500.”
“Doe ik er toch een netje om?” Probeert hij mij om te praten.
“Ik geef je er twintig euro voor.” Poch ik.
“Haha nee meneer: deze zijn €35,-.”  Een Godsvermogen voor zo’n kutboom!
“Doe wat van je prijs af: dan praten we verder.”
“Nah oké: €30,- mag je hem meenemen. Maar lager ga ik niet hoor.”
Ik wist dat wel, want verderop bij de Gamma waren ze ook €30,- dus hier kan ik wel mee leven.
Maar dan ben ik er nog niet hé. Boom moet namelijk ook nog eens in de Fiat. Dus de rechterstoel naar voren geschoven en de leuning naar voren geklapt. De achterbank ook voorover geklapt. Ja haha, zo je ziet: met een Fiat500 is heel veel mogelijk.
Een oudere vrouw staat met een verbaasd gezicht toe te kijken en vraagt zich waarschijnlijk af hoe ik dat op ga lossen om die boom er in te krijgen.
Als ik alles in de juiste posities heb geplaatst pak ik de boom met twee handen vast en ga tien passen achteruit. Dan neem ik een aanloop en smijt de kerstboom, ware ik een speerwerper, in de leegstaande ruimte. En verdomd: het past!

Thuis moet hij er ook weer uit maar daar heb ik het nog wel een keer over.

©Prlwytskovsky.