Stoelenjacht


Slenterend loop ik over een meubelboulevard. Ik kijk naar stoelen. Zomaar ergens loop ik binnen en ga in een of andere klote stoel zitten. Zit wel lekker ja, dat moet gezegd. Het prijskaartje spreekt over een bedrag van €1.400,- en dat stemt mij al minder positief.
Een vrouw van het type ‘ouderwetse schooljuf’ met een paar grote schommelende hangtieten en een klein kontje komt waggelend op mij af gelopen. Met van die opgetrokken verbaasde wenkbrauwen alsof zij mij bestraffend toe gaat spreken vraagt zij of zij mij kan helpen.
“Zoek eigenlijk een lekkere hangstoel, maar niet zo’n kutding als dit, en goedkoper.” Brom ik. “Want dit zijn toch geen prijzen meer”.
Zonder een woord te zeggen loopt ze weg. Doelloos zo te zien. Om, net als ik de zaak wil verlaten, ineens naast mij te staan.
“Als u even mee loopt dan toon ik u nog een paar andere modellen die u zeker gunstig zullen stemmen.”
Dat taalgebruik alleen al, en dan die kop; irritant gewoon. Was mijn fictieve vriendin maar hier. Sleepte zij mij maar naar de juiste stoel toe. Wees zij mij de weg maar. Want ja op van die momenten lul ik binnensmonds tegen mijn fictieve vriendin. Een mens moet toch wat?

Een enorme love-seat doemt voor mij op. Ik laat mij erin wegzinken en denk er mijn vriendin bij. Samen testen wij woordloos de love-seat. En ja: deze wil ik hebben. Deze love-seat mot ik hebbe. Dan ineens staat schommeltiet weer voor me neus, vragend of ik mijn keuze heb gemaakt. En dan die muil ….. Ongewild uit mijn droom gehaald zeg ik chagrijnig “Nee: mot ik niet. De kleur, het model, de prijs …. Nee: hou maar. Ik kijk nog wel even verder bij jullie concurrent.” En marcheer de zaak uit.

Op de begane grond is een terras met aantrekkelijke versnaperingen. Ik val neer op het in ruime mate aanwezige terrasmeubilair. Een soort houten keukenstoel met bijbehorend wiebelend vierkant tafeltje. Ik bestel koffie en een appelpunt met slagroom. De zon schijnt door het glazen dak en is nadrukkelijk aanwezig op het terras. Hele grote varens staan er tegen de zijwanden en het omgevingsgeluid is opvallend not of these world te noemen. Het stoeltje tegenover mij is leeg maar ik zie mijn fictieve vriendin tegenover mij zitten. Zwijgend kijken wij elkaar lachend aan en denken er het onze van.
De serveerster komt eraan en vraagt of zij nog mag bijschenken. “Giet maar vol hoor.” Zeg ik. “Wij nemen het er van vandaag.” Ik rek me eens lekker uit en leun daarbij achterover als het stoeltje onheilspellend kraakt en ik na de plof de onderkant van het tafeltje zie.

©Prlwytskovsky.

Flashback


Het leven zoals het zich op dit moment aan mij manifesteert is anders best te pruimen. Maar toch heb ik soms het gevoel dat ik weg zou moeten kunnen vliegen. Dat gevoel, dat idee dat ik als een vogel door de lucht zou kunnen suizen. Als kind had ik dit al maar ondanks dat ik aan dat gevoel toegaf kon ik het luchtruim nooit daadwerkelijk kiezen. Natuurlijk niet, mensen kunnen nu eenmaal niet vliegen.

Door heel mijn leven loopt een rode draad met flashbacks, zeg maar fracties van vage herinneringen die mij in dit ondermaanse als een fantast bestempelen. Vandaar mijn afwijkende schrijfsels? Dingen als weg kunnen zweven uit een noodsituatie zoals Badman dat zo mooi deed en dan via het luchtruim het vege lijf redden. Zelfs nu ik dit neerschrijf voel ik mij één of andere zot die niet helemaal spoort. Die flashbacks echter geven mij een heerlijk gevoel van vertrouwen, of ik nooit iets anders heb gekund. Soms herken ik ze maar vaak word ik er bang van.

Laatst met een flashback zag ik zelfs gezichten en menselijke vormen maar niet zoals ik deze dagelijks zie, verre van dat. Naar aardse maatstaven gemeten waren het marsmannetjes met hele rare smoelen en ontzettend tengere lichaampjes. Opmerkelijk was dat ze naar mij lachten, en mij vertrouwelijk toespraken in een taal waar ik geen moer van verstond. Afwisselend keerde ik terug naar het aardse leven en terug naar die marsmannetjes. Tot op een bepaald moment dat de realiteit toesloeg en ik niet meer naar de aardse wereld terug keerde maar bij die marsmannetjes bleef. Verbaast en vragend keek ik ze aan.

Je gaat ons toch niet vertellen dat je ons niet meer herkend, zeiden ze. Ik keek van de één naar de ander en kon ze ineens heel goed verstaan. Vaag kwam er een herinnering bij mij terug. Ze begonnen mij uit te leggen dat wij een spel speelden waarbij wij om beurten naar een virtuele wereld werden gezonden om te kijken hoe wij ons daar met onze vergaarde kennis zouden redden. Het was echt waar, het was inderdaad een spel en met moeite beleefde ik de eigenlijke realiteit daar bij die marsmannetjes. Mijn aardse fictieve leven van daarnet kon ik maar moeilijk van mij af schudden.

Kom zeiden ze: gaan we wat drinken en een hapje eten.

De interactieve computer werd uitgezet. De monitor werd donker en de wereld heeft nooit bestaan.

©Prlwytskovsky.

Brief aan God


Deze kerst heb ik de teringzooi weer versierd met lichies, slingers en kaarsies maar de kerstsfeer en het kerstgevoel ontbreekt deze keer wel heel erg. Vorig jaar had ik er al geen zin in om de zaak te versieren maar dit jaar is het helemaal brandhout voor wat betreft het kerstgevoel. Waar doe ik het eigenlijk voor? Voor u? Voor mezelf? Voor de mensen om mij heen? Omdat het hoort? Voor die 3 mensen die steevast op tweede kerstdag jaarlijks op mijn verjaardag komen? Kom nou toch! Kerst is het feest van u geboorte en dat behoor je in huiselijke kring te vieren maar dat thema is ver te zoeken.

In 1947 ben ik door u op de wereld gezet maar met welk doel? Wat is mijn toekomst? En vooral: wat is mijn taak hier? Sorry hoor, maar ik kan dit niet aan elkaar knopen. Dit kwartje valt niet bij mij. Ik moest mij de pleuris werken om te overleven en maakte lange dagen waardoor ik met hoge bloeddruk kamp en pillen moet vreten om in leven te blijven, maar waarvoor doe ik dat, en voor wie? In wat voor wereld hebt u mij geplaatst? In een wereld waarin een kind dood geboren wordt? Huwelijken die mislopen? Familie die uitsterft doordat zij een respectabele leeftijd hebben bereikt en ik alleen overblijf? Een regering die zich niet kan vinden, mensen die elkaar de hersens inslaan en mensen die ik graag de hersens wil inslaan? Mijn opvoeding leert mij dat ik dit laatste niet mag doen en er zeker met de kerst niet eens aan mag denken en waarom doen anderen dat dan wel?

Nu zit ik op de eerste kerstdag in december en de zon, onze levensader, schijnt warm en overvloedig in mijn woonkamer; het effect van de kerstverlichting verdwijnt hierbij in het niet. Ik moet wachten tot het donker wordt om iets van de sfeer te kunnen proeven. Is dat geen merkwaardige paradox: wachten op het donker om het licht te kunnen zien?
Vroeger ja met mijn eerste vrouw, zij verstond de kunst om er een waar feest van te maken; dat moet ik haar nageven. Maar nu zit ik hier in mijn uppie en wat moet ik nu met mezelf? Met het kerstgevoel; met u? Hoe geloofwaardig bent u nu nog in mijn ogen?

Toen ik nog een kind was moest ik mee naar de kerk waar gepreekt werd en ik geen reet van het gepreekte snapte. Ik moest ook naar de zondagschool waar een juf ons voorging in stichtelijke lectuur, met plaatjes en zo. Een zondag waarop zij waarschijnlijk liever werd wakker geneukt door haar vent dan dat zij ons voorlas en belerend toesprak. Als 7 jarige vond ik haar een lekker wijf, dat dan weer wel.

Laat ik het zo stellen: u speelt op een computer het spel ‘Simcity’ en laat ons leven zoals het U schikt. Als u dan vrede predikt waarom gaat onze wereld dan naar de verdommenis? Waarom tolereert u dat? Waarom creëert u dat? Uw eigen schepping? Is dat opzet? Maar met welk doel toch?
Hiermee zijn wij weer bij het begin van dit epistel: met welk doel ben ik en zijn wij mensen op deze aarde gezet? Als u een echte God bent hoe kunt u dan een wereld creëren waarin een kind van 9 jaar door messteken wordt vermoord? Waarin een caissière van 18 jaar wordt doodgeschoten en waarin een opa van 59 wordt doodgestoken? Waarin iemand een winkelcentrum in loopt om argeloze burgers dood te schieten? Hoort dat bij uw planning, uw almachtigheid, uw voorzienigheid?

Hoe vrolijk is kerst eigenlijk?

©Prlwytskovsky.

Vissies


Ooit had ik een aquarium. Een volglasbak van 150x50x50 cm met een inhoud van wel 375 ltr water. Tropisch water gemaakt met allerlei mengseltjes en voedinkjes, en een groot waterfilter waardoor de planten goed groeiden en de vissen een eigen biotoop te kregen. E.e.a. op advies ook van mijn siervishandelaar.
Mettertijd groeide mijn ervaring om er iets moois van te maken en dat monde uit in een aquarium met een zelf regulerend milieu. Verschillende vissen zwommen er in rond zoals, Congo zalmen, Maanvissen  
Cardinaal tetra’s, Bijlzalmpjes en een stel Corridorassen. Die laatste zijn bodemsnuffelaartjes die de bodem afzoeken naar iets eetbaars zoals slakjes die ik er beslist niet in wilde hebben. Ook een Hypostomus Plecostomus Punctatus (Latijns, zoek maar op google) zwom er in rond en die knaagde alle aangegroeide algen overal van af.
Trots op mijn werk kon ik daar uren naar kijken, een levend schilderij was het.

Maar dan …. Dan kocht ik nieuwe visjes erbij zodat er na een tijdje een stuk of 100 in die bak rondzwommen dat het noodlot toesloeg: Witte stip!!!
Vis na vis liet het loodje en het biotoop was helemaal naar de klote. Plantjes gingen dood en ook een groot deel van mijn vis bestand. Met mijn lokale siervishandelaar besprak ik mijn probleem en hij adviseerde mij diversen hulpmiddeltjes zoals waterzuiveraars en medicijnen. Maar niets hielp.
Totdat, zomaar ineens …. enkele vissen bleven leven en zichtbaar opknapte. Plantjes gingen weer groeien en mijn tijgerlotus kreeg zowaar een bloem.
Het begon weer alsof alle leven hersteld was en het leven het leven weer oppakte.

Jah leuk dat jij een vissenkom had en dat de vissen doodgingen en weer opleefden. Big Deal! Maar vertel … Wat wil jij hier nu mee zeggen?
Nou kijk, een aquarium met zijn levende have bestieren is niets anders dan een wereld gezond zien voort te laten bestaan. Zo lijkt mij.
Dus bij overbevolking zullen er spontaan ernstige ziektes losbreken die alles decimeert tot een behapbare hoeveelheid waar onze wereld zijn voortbestaan aan kan ontlenen en continueren. De natuur reguleert en recyclet zich op den duur zelf en daar kan geen mens niets tegen in brengen!
Geen mens? Ja geen mens! Want wat er nu gebeurd met Corona lijkt mij niets anders dan dat de wereld zichzelf decimeert en hergroepeert zodat alles weer kan groeien en bloeien dat het een lieve lust is.
Maar nu al die Coronadoden dan? Dat is toch erg? Ja jongens dat is ook erg, maar luister: teveel van het goede of wat dan ook is nooit goed geweest. Of het nu eten, drinken of overbevolking is: dat loopt altijd fout af! En wij mensen zijn te eigenwijs om dit te erkennen en of zelf te reguleren.
Maar nee, ikke – ikke – ikke …. en de rest kan stikken zongen Ronnie en de Ronnies in the sixties al, met de rest kan stikken als slotregel.

Vroeger had je de pest en de cholera en meer van die ziektes waar hele volksstammen aan uitstierven. De Spaanse griep en later de Mexicaanse griep. Alles met tot doel van de natuur om zichzelf te reguleren en om te overleven. Er zullen doden vallen ja maar dat is noodzakelijk zoals ik met dat aquarium omschreef. Het gebeurt je gewoon!
Natuurlijk zijn er mensen die mij nu een honkbalknuppel in de nek willen leggen maar nee: luister en lees! En probeer vooral om te begrijpen wat je in de media leest! Kijk hoe het in het verleden ging en hoe het nu weer de zelfde kant op gaat?

Corona. Het zegt mij allemaal niets. Doel is om te overleven dus pas goed op jezelf en ga de discussie niet aan want dat verlies je van de natuur.

©Prlwytskovsky

Kerstboom perikelen


De huwelijkse staat is een verbintenis die tij en ontij kan weerstaan. Vertel mij wat. Maar toch is er iets dat een huiselijke samenleving in korte tijd op zijn kop kan zetten, namelijk: het optuigen van de kerstboom. Een relatie hebben betekend eigenlijk niets anders dan problemen oplossen die je in je eentje niet zou hebben.
Afijn: thuisgekomen van de kerstbomenboer met een kerstboom in de achterklep die een paar meter achter de Fiat uitsteekt. Boom uit de Fiat zien te krijgen in omgekeerde volgorde en wat opvalt is dat de takken tegendraads achter alle panelen blijven haken en ik door vriendin gesommeerd word om vooral voorzichtig te doen en niet zo te schelden.

Boom ligt op het balkon te acclimatiseren en ik op de bank, met een biertje. Tenminste, dat dacht ik ….
“Hadden ze geen andere?” Vraagt een ontevreden stemmetje achter me.
“Was dan zelf mee gegaan.” Brom ik.
“Als jij nu even die boom op maat zaagt en in de standaard zet, dan maak ik even snel wat eten.” Vriendin glundert er bij alsof zij zojuist moeder is geworden van een zesling.
Ik zet de boom neer op de plek die zij mij heeft aangewezen, trots neem ik afstand en bekijk mijn huisvlijt. De top moest er af om de piek passend te krijgen en ook een stuk van de onderkant zodat de boom nu het formaat heeft van een kleinere boom die in de woonkamer past.
“Scheef.” Hoor ik achter mij.
“Hoezo scheef? Wat mankeert er aan?” Mopper ik.
“Hij moet meer naar rechts, zie je dat niet?”
“Naar rechts?”
“Ja kijk” … en zij houd de boom in de positie die volgens haar ‘recht’ is.
“Dan draai ik hem wel een kwart slag, staat ’ie voor het oog recht of ik doe een touwtje vanaf deze tak naar een spijker in de muur.” Tja, ik denk nu eenmaal graag in oplossingen.
“Nee man, ik wil geen touwtje naar de muur, is toch geen gezicht. Je kunt die standaard toch wel verstellen?”
“Weet ik lieverd, maar die boomstam is zo krom als een hoepel dus als ik hem volgens jou ‘recht’ zet, dan staat de stam in de standaard zo scheef als de pest en ….”
“Ppffff … laat maar, het hoeft al niet meer. Help mij nu even met de lichtjes, ja?”
“Maar dat zou jij toch doen? Ik zou die boom klaarzetten en jij deed de versiering, toch?”
“Hier, hou je kop en hou dat lichtsnoer vast, dan drapeer ik de lichtjes over deze takken.” Blaft vriendin.

Na de tweede snoer met lichtjes in de boom gehangen te hebben staat zij bedenkelijk te kijken, en niet veel later …
“Nee, het zit niet naar me zin. De lichtjes halen het niet van tak tot tak en dat is geen gezicht. Deze snoer moet los en dan moet hij via hier en dan daarheen. Die takken zitten allemaal te ver uiteen en ….. ”
“Had nou meegegaan om die boom uit te zoeken dat had je er eentje naar jou zin gehad.”
“Hou je nou een keer op met dat gezeur over die kutboom? Doe nou eens gezellig mee.”
“Nee, grlmpfff … vijf keer die teringlichies eruit en er weer in, en dan mot ik rustig blijven?”
Woest smijt zij de lichtsnoer neer en loopt naar de keuken. Op een dergelijk moment kan het handiger zijn om het slagveld te verlaten schijnt zij te denken.

Als ik de andere dag thuis kom staat er een boom die er zijn mag. Van onze buurvrouw hoorde ik dat zij op de koffie was geweest en haar kat had meegebracht. Doet zij altijd. Kat sprong van de bank middenin de kerstboom die prompt omviel. Buurvrouw had daarbij geholpen om de zaak weer op te tuigen.
“Wij kregen de boom niet meer recht dus heeft je vrouw een touwtje van de boom naar een spijkertje in de muur gespannen, et voila ….”

Trots op haar mooie boom komt vriendin naast mij zitten.
“Wat zullen wij met kerst eten?“ Vraagt zij.
“Mwah, doe maar een prakkie zuurkool.” Zeg ik onderuit gezakt en neem een ferme slok van mijn bier.

De voordeur knalt dicht. Ik haat kerstbomen!

©Prlwytskovsky.

Kerst en zo


Vroeger toen de kerstman nog op z’n ree ree deed hij mij eigenlijk niets. Dit in tegenstelling tot zijn concurrent Sint Nicolaas die nogal bestraffend kon uitpakken met zijn roede en zijn volle zak. De kerstman had dit niet, dat was een goedaardig man.

Met kerst lagen er voor mij altijd twee cadeautjes klaar, nee niet onder de kerstboom maar gewoon op tafel die zoals vroeger in het gemiddelde gezin altijd voor het raam stond. Één cadeautje was voor de kerst en die andere was voor mijn verjaardag, die mocht ik de tweede kerstdag pas uitpakken. Toen ik heel klein was had mijn moeder echte kaarsjes in de kerstboom gedaan en aangestoken. Mijn vader sloeg met een emmer zand in zijn hand het toneeltje gade. Zeker 10 minuten stonden wij daar dan gebiologeerd voor die boom en als kind al voelde ik die spanning bij mijn moeder dat er iets kon gaan gebeuren. Maar het ging goed, er vloog niets in de hens.

Ergens in de vijftigerjaren kochten pa en ma hun allereerste elektrische lichtjes. Witte. Het in de boom hangen van die lichtjes was een ritueel op zich want er bleek altijd wel ergens een ‘gat’ in de boom waar geen lichtje hing en dat was geen gezicht, laten we wel wezen. Dus ma helemaal in de stress om de boom opnieuw met slingers en guirlandes te bekleden.

Die soort stress heb ik van haar geërfd. Zit in mijn genen. Want los van de gezelligheid kan ik het niet opbrengen om een boom op een normale manier op te tuigen. De afstand lampje-lampje van het lichtsnoer en tak-tak van de boom komt namelijk nooit overeen. Ofwel hangt er een lampje los tussen twee takken in ofwel zijn er twee takken overdreven naar elkaar toegebogen. Ik hang mijn lichtsnoer tegenwoordig aan de luxaflex die ik dan ophijs, de lichtjes hangen dan rondom mijn raam met de uiteinden in beide hoeken naar beneden. En het ziet me er toch uit joh, prachtig! Vind ik dan, hé. Maar oh wee als het weer daglicht is, dan val ik door de mand qua fopperijen. Rare paradox is dit. Binnen het gebeuren van het feest van het licht kun je het licht pas zien als het donker is. Geen boom en geen takken heb ik maar wel kaarsen en lichtjes met slingertjes en een lopend kerstmannetje die op batterijen beweegt; met een rukhandje met bel. Dat alles geeft toch een bepaalde sfeer af in deze tijd.

Mijn kerstdiner zal straks uit een blik erwtensoep bestaan en niet uit gevogelte of andere diersoorten die daarom geslacht moeten worden nee: gewoon een blik snert!

©Prlwytskovsky.

Kabeltje trekken


Vorige maand heb ik mijn stereotoren verplaatst naar een andere kamer. Nu zul je denken wat kan mij dat schelen, maar nee: ik doe alleen maar even verslag van het gebeuren. Er was iets niet mee in orde meende ik mij te herinneren toen ik jaren geleden de installatie daar ook eens neerzette. Maar wat was dat ook alweer …….?

Doortastend als ik ben besluit ik om gewoon te beginnen en trek met brede gebaren alle stekkers en pluggen er uit. De componenten maak ik netjes schoon om ze vervolgens naar hun nieuwe plek te brengen. Van de linker speaker kan de draad gewoonweg de andere kant op en voor de rechter speaker heb ik nog een langere draad liggen. Ik frommel alles weg in de kabelgoot en vind het er eigenlijk wel netjes bijstaan zo. Na 3 uur noeste arbeid wordt dan plechtig de stekker in het stopcontact geduwd en ………… Ruis! Overal ruis!

Antennekabel vergeten!

Geen punt want die ligt nog in de andere kabelgoot. Ik ruk de kabel uit die goot en vanaf de antenne aansluiting friemmel ik de kabel via hoekjes en richeltjes naar de kabelgoot die langs de andere kant van de kamer naar de installatie gaat. Dan wil ik de antennestekker in de tuner steken en ik weet ineens weer wat er vorige keer aan haperde: de antennekabel is aan één kant tekort als de installatie hier staat. Het is al 6 uur geweest dus mijn antennekabelwinkel is dicht. Ook dat nog!

De andere dag vlieg ik direct naar de Gamma voor een verse antennekabel en neem voor de zekerheid een stel stekkers mee. Ik trek een hele nieuwe draad. Weer die kabelgoot opengemaakt en de nieuwe kabel erin gepield. Stekker erin en ……: Situatione Perfecto!

Na deze weldaad laat ik mij achterover vallen en lig languit op de grond om zo tegen mijn stereo installatie op te kijken; bijna eerbiedig.

©Prlwytskovsky.

Keukentje witten


De koffiepot staat te pruttelen en ondertussen beboter ik twee plakken kandijkoek. Geduldig murmel ik op mijn koek en wacht tot de koffie klaar is. Wat in me voer weet ik niet maar al kauwend kijk ik naar mijn plafonnetje en zie in de hoek een gebakken aardappel hangen en boven mijn kooktoestel een afdruk van die bal gehakt die destijds niet in de pan wilde blijven liggen en daarbij het plafond raakte. Eigenlijk best wel eens tijd voor een kwastje witkalk, vind ik. Nu zit er nog een restje in die emmer witkalk, herinner ik mij. Dus tijger ik als een soort malle Pietje door mijn opgestapelde rotzooi en vind waarachtig die bak witkalk met nog één nieuwe roller. Niets staat mij dus nog in de weg.

Een lampje hier en een gordijntje daar haal ik weg en roer al fluitend door de witkalk. Eerst met een kwast de randen van het plafond goed insmeren en dan met de roller de grotere stukken bestrijken. In de hoek bij de gootsteen en het galerijraam moet je bijna achterstebuiten-binnensteboven-onderstevoren een spagaat maken om alle hoeken te kunnen bereiken. En net als ik met mijn smoel tegen het raam geplakt sta en de uiterste hoek bereik, komt buurvrouw voorbij.
“Haaaaa Peet, zo zo ben je aan het witten?” Buurvrouw onderscheidt zich door haar scherpe waarnemingsvermogen.
“Nee” zeg ik, “ik ben een kip aan het vangen voor het avondmaal.”
Haar gezicht betrekt en ze foetert: “Als jij ooit eens normaal wordt dan wordt je van blijdschap weer gek!” En weg is ze.

Binnen de kortste keren is het karwei gedaan en omdat ik aardig in de stemming ben zet ik mijn trap in de gang bij de voordeur om ook gelijk het halletje mee te witten. Want als ik eenmaal op gang ben dan ben ik niet meer te stoppen.
En net als ik mij gepositioneerd heb en de roller heen en weer laat gaan gaat de deurbel. Uitgerekend dan!
Wel gloeiende-gloeiende …. Trappie af, trappie het gangetje uit gepleurd, deur opengemaakt en …… daar staat buurvrouw te glimmen.
“Ik kom eens even kijken hoe het er uit gaat zien bij je.”
“ Ja” zeg ik chagrijnig, “en daar wacht je dan mee tot ik de deur heb gebarricadeerd?”
“Ohw Peet maar dat doe je snel en accuraat zie ik.” Lult ze er overheen. “Wil je dat bij mij ook komen doen?” “NEEE buufje.” Brul ik. “Dit vind ik al erg genoeg en als ik klaar ben is de week voorbij en ga ik aan andere dingen denken dan klussen. Ik kan nu al geen kwast meer zien. Volgende keer als ik moet witten ga ik wel verhuizen naar een huis dat al is gewit.”
“Als jij nu even dat halletje vol kalkt dan zet ik thee voor ons. Goed?”
Hier kan ik niet tegenop, tegen zoveel aardigheid en liet haar maar begaan. Samen drinken wij thee en keuvelen over koeien en kalveren -en natuurlijk over witkalk.
En dan begint ze: “Ga je eerst wassen Peet want je zit onder de kalk. En kijk je handen eens en op je sokken; dat loop je overal heen.”
“Buufje, het was even gezellig met je maar nu snel opgedonderd want ik moet nog meer doen.”
Kakelend van de lach loopt ze naar buiten en zwaait nog even.

Ze kan best goed incasseren vind ik, dat moet ik haar nageven.

©Prlwytskovsky.

Paulus


“Mag ik nou nog effe opblijven, Ma? Tien minuten nog, tot kwart over zeven?”
“Nee. Zodra Paulus de boskabouter is afgelopen ga jij gelijk naar bed!” Zei ze onverbiddelijk. Wanneer de eind tune van Paulus werd ingezet werd ik opgepakt, naar bed gebracht en toegedekt. Het licht ging uit en de deur dicht. Kwaad was ik op mijn manier, want ik was toch al zeven jaar en dan al zo vroeg naar bed. Nooit kon ik het einde van die tune horen.

Slapen deed ik niet. Ik lag te luisteren naar de geluiden die in mijn kamer doordrongen, geluiden van stemmen uit de woonkamer, van muziek bij de buren dat werd gedraaid op een koffergrammofoon. Ik lag te kijken naar de bewegende lichtsporen langs het plafond van de voorbij rijdende auto’s en uiteindelijk viel ik dan toch in slaap.

Midden in de nacht werd ik wakker, zomaar, zonder reden. Ik stond op en liep naar het raam om even naar buiten te kijken maar ik zag niks. De ramen waren dichtgevroren met ijsbloemen. Met mijn nagels schraapte ik sporen in het ijs totdat ik er doorheen kon kijken. De auto’s in onze straat hadden nu één kleur: Wit!
De maan scheen helder en veel sterren flonkerden aan de hemel. Dat heldere maakte het juist extra koud. Teleurgesteld omdat er niets te zien was, kroop ik me bed weer in.

’s Morgens werd ik wakker van schrapende geluiden. Buurmannen maakten hun autoruiten ijs vrij. Sommigen auto’s wilden helemaal niet starten. Raar. Want het vroor maar 25 graden. Het zei mij toen niets. Fantastisch om dan voor het raam te kijken en die buurmannen te zien zwoegen.
Onze straat werd wakker en de wereld begon aan een nieuwe dag.

©Prlwytskovsky.

Dag onbekende vrouw


Soms leun ik op de rand van mijn balkon en kijk uit over het park, en naar de flat aan de overkant. Er zitten mensen te zonnen en bij een ander is de tent potdicht. Een enkeling kletst met een buur en wijst in een bepaalde richting waarna zij getweeën, met een hand boven hun ogen, ogenschijnlijk in het niets turen.
Dag na dag en avond na avond is nog steeds alles dicht bij die ene buur. Het valt mij op dat er eigenlijk nooit iets open staat, geen raampje of een deur: niets.

Op een zwoele zomermiddag zit ik buiten en mijn oog valt weer op dat ene huis. Niet dat ik zit te gluren, maar het valt mij op dat bij iedereen de zonneschermen naar beneden zijn en er mensen buiten zitten, maar niet bij dat ene huis. Daar blijft alles dicht.

Ik ben mijn balkon aan het boenen en ik zie een witte vrachtwagen beneden geparkeerd staan. Als ik opkijk zie ik de balkondeur van dat huis aan de overkant openstaan, en de jaloezieën zijn allemaal omhoog. Er lopen mensen in en uit, mensen die ik niet ken terwijl ze aan de overkant wonen.
Als ik mijn vaste rondje ga lopen moet ik langs die witte vrachtwagen. Mensen sjouwen een kast naar buiten en tillen hem in de laadruimte. Ik herken die mensen, zij liepen gisteren op dat balkon.
“Gaan jullie verhuizen?” Vraag ik.
Lachend kijkt een knul mij aan en zegt: “Je buurvrouw is gaan hemelen, wij halen alleen het huis leeg.”
Vrouw? Woonde daar dan een vrouw? Vraag ik mij af en loop terug en vraag aan die knul of ze familie van die vrouw zijn.
“Nee.” Zegt die knul kortaf: “Had ze niet, leefde helemaal alleen.” En ze gaan verder met het laden van de vrachtauto.

Ik kijk langs de flat naar boven, langs alle etages. Niemand in die flat die ik eigenlijk ken, niet van naam en zelfs niet van gezicht, en dat terwijl ik er toch al 32 jaar tegenover woon. En omgekeerd: wie van al deze bewoners in die flat zou weten wie ik ben?

Diezelfde avond zit ik buiten en kijk naar de overkant. Een lege woonkamer zie ik, zonder gordijnen en zonder jaloezie. Aan het raam ernaast hangt nog een gesloten jaloezie en in de zijkamer hangt een gordijnrail gedeeltelijk los geschroefd voor het raam. Een tafeltje ligt ondersteboven op het balkon.
Wat zouden die meubels allemaal kunnen vertellen, hun verleden en hoe belangrijk waren ze voor die onbekende vrouw? En nu? Naar de kraakwagen of naar iemand die er nog wel iets in ziet?

Ik kijk de andere kant op en zie mijn buurvrouw staan die met een lachend gezicht zegt:
“Ik sta zeker al vijf minuten naar je te kijken. Was je in dromenland?”
“Ja buurvrouw, als je eens wist waar ik was. Ik was heel even in het hiernamaals.”

In gedachten kijk ik omhoog en zeg: “Dag onbekende vrouw, het ga u goed.”

©Prlwytskovsky.