Een wandelingetje maken



Je ziet ze wel eens, van die half dove oude mannetjes die op een bankje zitten te turen, met hun handen leunend op hun wandelstok. Een andere oude man met een rollator komt eraan en houdt stil bij de bankzitter:

Zo, ga je een wandelingetje maken?
Nee, ik ga een wandelingetje maken.
Wat? Ga je een wandelingetje maken?
Nee, ik ga een wandelingetje maken.
Ohw, ik dacht dat je een wandelingetje ging maken?
Watte?
Ik ga een wandelingetje maken!
Ohw, en wat ben jij aan het doen?
Ik zit te kijken.
Waaro zit jij dan naar te kijken?
Naar de overkant.
Naar de overkant?
Nee, naar de overkant.
Wat zie je dan aan de overkant?
Daar is een hijskraan aan het hijsen. Huuuche-uche bwuuuhhhhucheeee …..
Istie daar aan het hijsen?
Nee, daar zijn ze aan het hijsen.
Ohw, en daar zit jij naar te kijken?
Ja, daar zit ik naar te kijken.
De hele dag al?
Neeeeeeeeeee, alleen vandaag.
Ohw, en wat zie je dan?
Nou, dadde ze an ut hijsen zijn.
Ohw, en dat vind jij leuk?
Nee.
Waaro doen ze dat dan? Huche-uche bwuuuhhhhuchee …..
Nou, aan de overkant, achter je.
Achter me?
Ja, achter je.
Eeeej ja, nou zie ik het, en dat vind jij leuk?
Neeej helemaal niet. Wuhuuche-uche bwuuuhhhhuche …..
Waarom kijk je er dan naar?
Dat weet ik niet. En wat ben jij aan het doen?
Ik ben een wandelingetje aan het maken.
Wat? Ben jij een wandelingetje aan het maken?
Nee, ik ben een wandelingetje aan het maken.

©Prlwytskovsky.

Hij


  Hij werkte veel en hard, deed trouw zijn boodschappen en onderhield met straffe regelmaat zijn huis. Studeren deed hij ook maar contacten met of in de buurt had hij weinig. Iedereen had hem in zijn leven belazerd of belogen, zelfs z’n vrienden en exen; niets had hij er meer van over. Hij vertrouwde alleen nog datgene dat hij zelf kon waarnemen. Bijzondere dingen hebben zich in zijn leven eigenlijk niet voorgedaan, afgezien dan van zijn gevoelens die tot op het bot werden afgebroken. Hij probeerde te leven zoals het hoorde, eerlijk en oprecht; week in week uit, jaar in jaar uit.

Tot op zekere dag dat hij weer zijn wekelijkse boodschappen moest halen en hij zijn geld telde. Hij kwam tot de conclusie dat de twintig Euro die nog in z’n lade lag niet toereikend was voor vandaag en besloot het geld thuis te laten en te pinnen. Hij ging met de lift naar beneden en eenmaal buiten koos hij de richting van de supermarkt. Op het schoolplein zag hij een stel kinderen en verdiept in hun knikkerspel ging de wereld ongemerkt aan hen voorbij. Het waren vier kinderen die niet van hun spel opkeken.
Er liepen niet al te veel mensen op de straat. Bij het oversteken scheurde een brommer bijna z’n snorharen eraf. Even verderop liep een vrouw zo hard ze kon, ze stak de straat over naar de winkels en eenmaal daar aangekomen sloeg ze rechtsaf en spoedde zich maar voort. Zo te zien nergens heen. Hoe zinloos leek dat.

In de supermarkt was het ook al niet noemenswaardig druk, een oudere vrouw reed met haar karretje over z’n voet.
‘Ohh, pardon meneer’. Zei ze geschrokken.
‘Geeft niet hoor’ zei hij, ‘ik heb er toch twee’. Maar zij reageerde er verder niet op.
Geroutineerd pakte hij zijn boodschappen uit de schappen omdat hij precies wist wat hij nodig had. Bij de vleesafdeling aangekomen wachtte hij geduldig totdat de verkoopsters uitgekletst waren.
‘Zegt u het maar meneer’. Hoorde hij een stem roepen. Hij was met zijn gedachten ergens anders en wakker geschrokken bestelde hij zijn vleeswaren. Ziezo, dat zat erop. Nu nog even naar de kassa om af te rekenen en dan snel naar huis om een lekkere rundvleessoep te maken. Buiten gekomen leek het of er ineens veel meer mensen op straat liepen of vergiste hij zich nu? Hij stak de straat over en liep weer richting schoolplein waar de kinderen nog steeds aan het knikkeren waren. Hij liep eraan voorbij en keek er eens schuin naar. Plots hoorde hij een kind roepen:
‘Wilt u ook even mee knikkeren meneer’? Hij keek om en zag dat een van die kinderen naar hem keek.
‘Kom doe ook even mee’, vroeg een kind aan hem.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn boodschappen naar huis brengen anders smelt mijn boter’ excuseerde hij zich.
‘Een potje maar meneer’, zei het kind en wenkte hem naar zich toe.
‘Oké een potje dan, maar ik heb geen geld bij mij hoor’ waarschuwde hij. Hij zette z’n tassen neer en ging bij de kinderen op de grond zitten met zijn rug tegen de schoolmuur. De spelregels werden hem uitgelegd door een ander kind. Hij hoorde het wel maar het leek zo ver weg en wat was dat voor een gevoel dat zich plotseling van hem meester maakte? Het leek wel of hij op vakantie was. Wat een rust ineens en alle spanningen waren opeens van hem af gevallen. Er waren geen problemen meer of andere zorgen waar hij zich druk om maakte. Alleen dat knikkeren telde en verder bestond er niets. Sinds jaren voelde hij zich weer blij en opgewekt; hij voelde zich weer kind. Wat is het toch een heerlijk gevoel om kind te zijn, dacht hij.
‘Vindt u het leuk’, vroeg een kind aan hem.
‘Ja’, zei hij verbaasd, ‘maar hoe ehhh, waarom eehhh ….’?
‘Blijf dan voortaan bij ons’, vroegen de kinderen als in koor.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn vlees nog braden en nog wat karweitjes doen’. Hij stond op en moest zich aan de schoolmuur steunen anders was hij omgevallen. Dat ging moeilijk en kwam zeker omdat hij te lang op de grond had gezeten. Hij wilde zijn tassen oppakken maar die voelde ontzettend zwaar aan. Verrek dacht hij: ik ben er toch ook mee hierheen komen lopen?
‘Zal ik u even helpen meneer’, vroeg een van de kinderen.
‘Graag’ zei hij, en samen liepen ze het laantje af naar de oversteekplaats. Dat lopen ging ook niet erg gemakkelijk. Het leek wel of hij tegen een steile helling opliep. In zijn gevoel duurde het uren eer ze de oversteek bereikt hadden.
‘Gaat het nog’? Vroeg het kind. Hij keek naar het kind en zag tot zijn verbazing dat er een vrouw van een jaar of veertig naast hem liep. Hij schrok en probeerde terug te denken hoe deze vrouw zo plotseling naast hem kon lopen. En waar was het kind, het was toch eerst een kind?

Samen staken ze de weg over. Een automobilist kwam aanrijden en stopte netjes. Hij kon niet eens snel oversteken al deed hij nog zo zijn best. Tijdens het oversteken zei de vrouw, ‘Mag ik vragen hoe oud u bent, omdat u nog zo kwiek loopt’?
‘58-jaar’, zei hij en ze begon heel hard te lachen.
‘Ja hoor en dan ben ik een kind van acht. Kunt u het nu verder alleen?’ Vroeg ze lachend. Hij zei dat het wel ging omdat de ingang van de flat waar hij woonde vlak voor hem was. Zijn boodschappen waren een zware last en eindelijk was hij bij de voordeur. Hij probeerde de brievenbus te openen maar kon het sleutelgat moeilijk vinden, hij moest bukken om het beter te kunnen zien. Zijn hand bibberde en was knokkelig, het vel hing er ruim omheen. Hij sloeg er geen acht op. Toen hij de lift binnenging keek hij in de spiegel en zag een heel oude man naar binnen schuifelen. Hij schrok zich een ongeluk want die oude man deed precies hetzelfde als hij. Dat ben ik, dacht hij en een gevoel van onmacht maakte zich van hem meester. Maar hoe kan dat, dacht hij paniekerig? Toen de liftdeur openging liep hij naar zijn huisdeur en opende die. Een bedompte lucht kwam hem daar tegemoet en wat een rotzooi zag hij daar. Hij liep de kamer in en zag dat alles onder een dikke laag stof zat, z’n planten waren alleen nog maar verdorde stokjes. In de keuken deed hij de koelkast open en zag dat schimmels zijn voorraad hadden verteerd. Het zag er uit of er jaren niemand had gewoond.
In de badkamer hing iets aan de waslijnen dat op twee spijkerbroeken leek en een zwart windjack; volkomen verpulverd. Terug in de gang zag hij een paar veiligheidsschoenen staan, maat 44. Hij herinnerde zich ineens dat hij daar op liep toen hij nog werkte.
De deurbel klingelde en hij pakte automatisch de huistelefoon -en hoorde een kind vragen: ‘Peter, kom je buitenspelen, gaan we verder knikkeren?’

Enkele dagen later verscheen het stadsblad met daarin een bericht dat er een dode man was gevonden, hij zat tegen de muur van het schoolplein zonder identiteitspapieren.

©Prlwytskovsky.

Een lek bandje

Tags

, , ,


Natuurlijk kwamen er in vroeger tijden ook wel eens lekke banden voor. Gelukkig waren ze destijds alleen aan de onderkant leeg; de rest was nog goed  Maar dan moet er gekrikt worden.
Op de A12 rijdt ik met volle bepakking. Dat wil zeggen motorwagen en aanhanger vol glasscherven van een tonnetje of vierentwintig. En dat met enkel as combinatie motorwagen-aanhangwagen. Met een buitentemperatuur van een graad of 34 en de snelheid op 90 wil het allemaal wel. Vooruit kijkend loop ik in op een geladen combinatie van Waco beton en ik ga naar links. Langzaam ga ik hem voorbij als wij samen ineens een keiharde knal horen.
Hij kijkt naar mij, ik kijk naar hem en samen rijden wij schouderophalend door. Totdat …… er rook van mijn aanhanger af komt en dus moet ik de vluchtstrook opzoeken.

Afijn de band is geklapt en vooral plat, heel erg plat. De vellen hangen erbij en het spatbord is ook al niet meer wat het geweest is. Dus de krik erbij gepakt en zwengelen. Alles wat ik beetpak brand ik me klauwen aan. Maar in plaats dat de as omhoog gaat verdwijnt de krik in het loei hete asfalt. Wat ik al zei: het is namelijk maar liefst 34 graden in de zon. Daar sta je dan, in je eentje, met een lekke piep. Shit mannn. Ik denk na en daar gaat geruime tijd mee heen. Als ik om mij heen kijk zie ik van die hectometer paaltjes met precies de goede maat voor mijn krik. En dus drie paaltjes uit de grond gerukt en onder de krik gelegd. En verdomd: de achteras van de met veertien ton geladen aanhanger gaat omhoog en ik kan het wiel losdraaien. Hoeveel vloeken mij dat heeft gekost kunnen de echte oudere truckers zich denk ik wel voor de geest te halen. Toch?

Ik kan je melden dat ik vooraf eerst bij een tankstation de wegenwacht heb gebeld voor assistentie, maar die waren ‘ineens’ heel erg druk en konden mij niet a la minuut helpen. Het tankstation lag 250 meter verderop en dus ook weer die 250 meter terug lopen. Met een blikkie bier in de hand; dat dan weer wel. Onderweg lastig gevallen door kraaien die mij ervan verdachten hun nest te willen leegroven. Het leven van een chauffeur in die dagen was hard, keihard.
En dus …: toen ik de krik na het wiel wissellen liet zakken en alles opruimde kwam de wegenwacht er aan. Je verzint zoiets niet hé? Met een minuscule oranje zwaailichtje zwaaiend op het eenden dak parkeerde de man zijn Yellow Duck pompeus achter mijn truck; alsof die eend een buffer Mack was. Of iemand überhaupt in die felle zon dat zwaailichtje ooit zou zien? Maar alez. Vol bravoure stapte hij op mij af.
”Kan ik je ergens mee helpen?” Vroeg de Wegenwachter.
“Nee, rot nou ook maar op.” Zei ik uit de grond van mijn hart. “Heb je wat te drinken bij je?”
Heel raar dat na zo’n doodnormale vraag en antwoord die Wegenwachter terug in zijn Yellow Duck stapt en wegrijdt. Een gele eend ja want daar reden de wegenwachters in die tijd mee rond.

Op de A12 ter hoogte van afrit Maarn zie ik een geel wegenwacht wagentje met zwaailicht op de vluchtstrook staan. Als ik dichterbij kom zie ik die wegenwachter van daarnet om een autootje heen lopen. Een lekker wijf staat in de graskant toe te kijken. Ik bedoel: dit gebeurd dus in seconden hé. De wegenwachter pakt goed uit en haalt zo te zien lachend alles uit de kast.
Ik neem zo scheef ga weg de maat en scheur zo dicht mogelijk langs zijn eend. In mijn rechter spiegel zie ik die Wegenwachter met gebalde vuisten staan zwaaien maar dat deert mij allemaal niet meer.

Ik rij!!! En daar gaat het mij maar even om.

©Prlwytskovsky.

Het nieuwe jaar in

Tags


Oud jaar was het gisteren. Oudejaarsdag en oudejaarsavond. Met knallende kurken en knullen die knallen veroorzaken. Totaal ongeïnteresseerd lopen ze door de straat met een zak vol vuurwerk en rotjes. Afwisselend met een kale kop, petje achterstevoren of een capuchon over zich heen getrokken lopen ze zich te vermaken. Schreeuwend en lachend. Maar wat is hun vermaak eigenlijk? Soms haalt er eentje een hand uit zijn zak en vanuit een andere hand licht iets op. De hand gooit iets weg en de knullen lopen verder. Even later een knal. Niemand van het groepje kijkt ernaar of reageert erop. Een zinloze bezigheid lijkt het.
Ondertussen bak ik ze lekker bruin. De oliebollen dus. Zodra ik er eentje kan vasthouden durf ik er pas in te bijten. Liever een brandblaar in me bek dan te moeten wachten vind ik.

Half tien in de avond is het. Aan de overkant zie ik enkele knulletjes vuurwerk afsteken. Acht jaar schat ik ze, beslist niet ouder. Het ene rotje na het andere knalt. Ze werken wel goed samen want de één houdt het rotje vast en de ander steekt het aan. Het rotje wordt weggegooid en ze stappen daarbij twee meter naar achteren. ‘Kan gewoon niets gebeuren’. Zie je ze denken. Een paar tellen later doet hun zevenklapper zijn werk.
“Neem nog een oliebol?” Spreek ik mijzelf bemoedigend toe.
“Pffff …. Ik heb er al 9 op, nu even wachten hoor.” Zeg ik verontwaardigd. Ja ja ik lul tegen mezelf. Gevolg van de leeftijd?

Maar om twaalf uur brandt dan eindelijk het echte vuurwerk los. Een pracht van een show ontvouwd zich boven Rotterdam en Schiedam, ja zelfs vlak voor me giechel door tering knallen vergezeld siervuurwerk. Op het mooiste vuurwerk word ik getrakteerd. Om kwart voor twee lijkt het voorbij en hier en daar gaat nog een vuurpijl de lucht in, en een luide knal met nog wat rotjes. Dan wordt het stiller. Om twee uur hoor ik alleen nog in de verte wat geknal dat eigenlijk geen ‘knal’ meer mag heten. Voordat ik mij ter ruste begeef loer ik nog even over de galerij naar beneden. Er komt een knul aangelopen. Hij draagt een plastic tas. Bij de flat aan de overkant stopt hij en zet zijn tas neer. Hij kijkt schichtig om zich heen, peutert wat in de muur en pakt nog iets uit zijn tas. Dan zie ik vonken en ik verwacht een knal, maar nee: er gebeurd niets. De knul pakt zijn tas op en loopt de hoek om. Nadat hij een paar meter verder is volgt er een lichtflits en een erg luide knal. Knul is inmiddels al de hoek van de volgende straat om en uit het zicht verdwenen. Dan volgt nog een tweede zelfde luide knal en even later nog één. Dan wordt het stil. Wat is hier de gein van? Vraag ik mij af en duik in mijn sponde.

77 miljoen is er aan vuurwerk uitgegeven dit jaar. 77-miljoen!!! Vorig jaar  was het 70 miljoen en dan nu dit. Op tv zag ik beelden van een verkooppunt waar op de kassa zo maar even €228 werd aangeslagen alsof het niks is. €228 in de fik steken en woosh … binnen tien minuten is je geld in rook op gegaan.
Een knul lacht pochend in de camera dat hij voor €2.500,- aan vuurwerk heeft gekocht maar zijn maat doet een stuk beter. Die heeft voor €5.600,- aan vuurwerk in zijn woonkamer liggen. Ja echt waar: in zijn woonkamer!!!
Maar dan hoor je wel anderen openlijk op de social media klagen dat bijvoorbeeld de energiekosten met een paar honderd euro per jaar zullen stijgen en ook het levensonderhoud. Wat gaat hier verkeerd denk ik dan?
Los van het mooie sier vuurwerk vind ik het zinloos weggooien van knallende rotjes een totaal geschifte bezigheid. Ik zie het niet anders dan een wegwerpaansteker kopen en deze ter plekke meteen weggooien. Zinlozer kan ik mij de leut van het verschijnsel ‘vuurwerk’ niet voorstellen. Prachtig om te zien, dat dan weer wel zolang een ander het maar betaald en verder ze muil houd over zijn armoedige maandelijks ‘gekregen’ pecunia.

Maar het is weer voorbij. Na een katerrijk ontwaken is het dan eindelijk nieuwjaarsdag. Het is angstig stil in de buurt en de parkeerplaatsen zijn overvol. Mensen bezoeken elkaar en kinderen bezoeken hun ouders. Zij wensen elkaar alles wat maar wenselijk is. Want zoiets doe je nu eenmaal op nieuwjaarsdag. Nietwaar? Het hele jaar horen of zien ze elkaar niet maar met nieuwjaarsdag is de gefingeerde vreugde met alles wat maar te wensen valt er niet minder om.
Ik bijt nog eens een flinke hap uit mijn zelf gebakken oliebol en giet nog wat jenever naar binnen, bij wijze van nieuwjaarsborrel. Mezelf ondertussen afvragend of ik niet nu meteen die feest-versier-zooi van de muren af moet halen en wegruimen of daarmee zal wachten tot morgen?
Maar ja die traditie hè ….

Het wordt alweer schemer. Twee mensen hebben mij gebeld en gemaild met hun welgemeende goede wensen, verder niemand. Die twee ben ik dankbaar. Kerst -en nieuwjaarskaarten van bekende mensen heb ik er genoeg gehad, met wensen die er niet om liegen. Maar zijn die wensen eigenlijk wel zo gemeend zoals zij beschreven staan?
Snel die hele teringzooi in de vuilbak kieperen. Opruimen! Weg met die zooi! Alles stofzuigen en de herinnering aan 2019 met stofzuigerzak en al in de vuilbak smijten.
Maar dan die ene kaart, van haar. Ik krijg het niet over mijn hart om die weg te gooien.

©Prlwytskovky.

Boom koopt

Tags



Gewoon even een kerstbomenboer gaan zoeken. Zulks kan nooit moeilijk zijn. Toch? Maar dat dingen niet lopen zoals ik denk zal blijken want nergens in mijn buurt is zo’n knakker te vinden. Tenminste: niet op loopafstand. Spijtig kijk ik naar mijn onlangs aangeschafte scheurijzer en neem in gedachte de maatvoering in mij op.
Jullie moeten weten dat ik mij laatst een Fiat500 heb aangeschaft. Een heus scheurijzer dat dan weer wel, maar nog even los van mijn corpulente verschijning past er niet veel meer bij in dat wagentje. Mijn vriendin en haar dochtertje passen er nog net bij maar daarmee houdt het ook op. Zelfs een Fiat kent zijn grenzen. En die grens is wat mij betreft allang bereikt want dat ding zuipt meer dan ik en dan heb je het al snel verbruikt bij mij.

Maar ik had het over een kerstboom, en vooral waar ik die kan kopen. Dus vol goede moed een rondje door mijn wijk gereden maar niets van mijn gading gevonden. Dan de zoekcirkel vergroot en warratje: een bomenpik gevonden. Of hij mij kan helpen vraagt een pokdalig figuur mij. Pokdalig, omdat het kwaad van donkere straathoeken en portieken van zijn gelaat is af te lezen en het teveel aan kroketten en laat opblijven zijn uitstraling bepaald.
“Ik zoek een lekker boompie.” Zeg ik op mijn vriendelijkst.
“Lekker?” Zegt hij lachend. “Eentje met kluit?”
“Ja, maar dan met zonder wortels.” Zeg ik en zoek ondertussen stoïcijns verder.
Zijn ambulante handel aanprijzend komt hij met een keurig boompje aan gelopen. Keurig qua grootte, en qua tak bezetting. Maar om nu meteen uit mijn dak te gaan is prijstechnisch gezien niet aan te raden. Wat dan wel?

“Boom moet aan twee voorwaarden voldoen.” Brom ik hem toe. “Hij moet zo wie zo in de woonkamer passen en bovenal ook in mijn Fiat500.”
“Doe ik er toch een netje om?” Probeert hij mij om te praten.
“Ik geef je er twintig euro voor.” Poch ik.
“Haha nee meneer: deze zijn €35,-.”  Een Godsvermogen voor zo’n kutboom!
“Doe wat van je prijs af: dan praten we verder.”
“Nah oké: €30,- mag je hem meenemen. Maar lager ga ik niet hoor.”
Ik wist dat wel, want verderop bij de Gamma waren ze ook €30,- dus hier kan ik wel mee leven.
Maar dan ben ik er nog niet hé. Boom moet namelijk ook nog eens in de Fiat. Dus de rechterstoel naar voren geschoven en de leuning naar voren geklapt. De achterbank ook voorover geklapt. Ja haha, zo je ziet: met een Fiat500 is heel veel mogelijk.
Een oudere vrouw staat met een verbaasd gezicht toe te kijken en vraagt zich waarschijnlijk af hoe ik dat op ga lossen om die boom er in te krijgen.
Als ik alles in de juiste posities heb geplaatst pak ik de boom met twee handen vast en ga tien passen achteruit. Dan neem ik een aanloop en smijt de kerstboom, ware ik een speerwerper, in de leegstaande ruimte. En verdomd: het past!

Thuis moet hij er ook weer uit maar daar heb ik het nog wel een keer over.

©Prlwytskovsky.

Mijn slagersvrouw



Sinds mijn laatste bezoek aan de slagersvrouw een paar maanden geleden trakteer ik haar op een bezoekje van mij. Vandaag wil ik een varkenshaasje, beuling en beenham. De slagersvrouw staat achter de toonbank en ziet mij binnenkomen. Ze glimlacht vriendelijk en ik knik terug, gelaten wachtend tot ik aan de beurt ben. Dan komt de slagersvrouw op mij af waarmee ze mij kan helpen.
Hoe bedoelt u, vraag ik?
Hè begin nou niet weer, ik ben je grappen al ontwent en het gaat net zo lekker vandaag.
Oké, ik beloof mij te gedragen en bestel mijn vleeswaren. Bijna fluitend legt zij de gevraagde spullen op de toonbank en kijkt mij hierbij met lachende ogen aan. Ze wilde gaan afrekenen maar zover was ik nog niet.
Krijg ik geen plakje worst van je, anders stop je me altijd vol met plakjes worst en nu krijg ik niks?
Daar staat ze dan met een mond vol tanden.
Een vrouw naast mij keek mij aan en vervolgens naar de slagervrouw: ik heb nog nooit een plakje worst van jou gehad zei de vrouw, doen jullie dat dan?
De slagersvrouw kijkt mij aan en zeg: zie je nou met je grappen, nu kan ik de hele voorraad aan plakjes gaan snijden en weggeven: je wordt bedankt!
Nou uuhhh zeg ik, ik wil alleen maar leuk doen.
Ga alsjeblieft weg roept ze, ik heb je al weer meer dan genoeg gezien.
Ik trok de deur achter mij dicht en voor de etalage wachtte ik nog even tot ze naar mij keek en wierp haar een kushandje toe.
Ze lachte en ging verder met haar werk.

Om de hoek staat de fietsenmaker voor zijn deur en hij veegt zijn handen af aan een poetsdoek, hij knikt naar mij en ik knik terug.
Eigenlijk een hele gewone dag dus eigenlijk.

©Prlwytskovsky.

Dialoog



“Laat je nieuwe wasmachine eens zien Peet, ik ben zo nieuwsgierig hoe die er uit ziet.”
“Nou kom maar mee dan, hij staat hiernaast.”
“Ohw heb je er zo één, die ken ik want die heeft mijn schoonzus ook en zij is er erg over te spreken.”
“Moet je kijken, hij kan …….”
“Onze zoon heeft dat andere merk, kan er even niet opkomen maar het is er eentje uit de top 3 merken.”
“Ja maar deze ……”
“Die van ons is al 11 jaar oud en doet het nog zo lekker.”
“… heeft een één knops bed……”
“Hoeveel liter water verbruikt deze?”
“Negenenv……”
“Die van ons doet het met 55 liter.”
“eertig…..”
“En die van onze zoon gebruikt 50 liter.”
“Deze is erg geruisloos en …….”
“Zullen we weer naar binnen gaan Peet, ik krijg trek in een wijntje. Leuk joh, succes ermee en aardig dat je hem even liet zien aan ons.”
“Ik haal een biertje voor je man en mij. Jij hoeft geen wijn hé want jij gaat toch zo weg.”

©Prlwytskovsky.

Hoe het begon



Ooit ben ik begonnen met het op de computer bijhouden van dingen die mij opvielen. Dat kun je geen schrijven noemen maar een beetje gekrabbel in een soort dagboek. Op een bepaald moment zat ik met een probleem waar geen uitweg in te vinden was en probeerde dat te beschrijven, alle argumenten beschreef ik en ook de gal die er gespuwd diende te worden werd in ruime mate belicht. De dagen erna las ik het nog eens, en nog eens, en nog eens tot ik plots besefte dat het probleem ineens niet meer zo erg was als het eerst leek. Ik had het van-mij-af-schrijven ontdekt!

Een hele tijd daarna kwamen mijn klaverjasvrienden en waarvan er eentje achter mijn pc plaats nam en de directory met schrijfsels bij toeval ontdekte en er enkele van las.
Jezus Peet zei hij, waarom weten wij niet dat je schrijft?
Nou eehhh, ik noem dat geen schrijven want ik ben echt geen van ‘t Reve hoor. Moet je meer doen man en laat het ons dan lezen.
Dit was dus de aanzet tot mijn schrijvelarij, maar wel met een beperkt aantal lezers die bepaald niet objectief te noemen waren. Ze hebben wel gelachen om mijn verzinsels en ondertussen prees ik mijzelf de hemel in als een auteur die de wereld in pacht had; wat was ik trots dat ik dat kon.

Maar helaas, ik ging enige tijd later hard op me bek want ik had mij begeven op het schrijverspad bij een heuse Belgische schrijverssite; althans dat dacht ik. De ene na de andere lel kreeg ik uitgedeeld terwijl mijn achterban het toch goede teksten vond. Onderzoek naar wie er allemaal reageerde leerde mij dat het jongelingen waren van zelfs 14 tot 18 jaar die dus beslist niet op een cynische ouwe lul zaten te wachten die bovendien niet eens hun chat taal schreef, laat staan begreep.
Er moesten dus andere afzetkanalen komen die er een realistische visie op los konden laten, waar ik iets aan had. Overmoedig geworden schreef ik het plaatselijke suffertje aan met het idee om er af en toe eens een verhaal in kwijt te kunnen maar men had er geen oren naar. Anders gezegd was het brandhout wat ik schreef; daar kon ik het mee doen.

Maar op mijn werk mocht ik ondertussen in de maandelijkse nieuwsbrief de highlights van de organisatie uit de doeken doen voor 150 lezers, lezers die als collega’s voor mij bekend waren en die daardoor ook mijn visie en mijn mening al konden voorspellen. Een slechter publiek kun je niet hebben omdat je bij een misser de andere dag direct werd weg gehoond. Mijn rug werd weer iets breder en er kwam weer een plekje eelt op mijn ziel bij en een pik heb ik ondertussen niet meer over van het trappen wat men er op gedaan heeft.

Vervolgens vond ik een site met een andere aanwas, mensen die aanvankelijk een beetje terughoudend reageerden. In deze periode zijn de avonturen met de slagersvrouw en de buurvrouw ontstaan en denk niet dat dit allemaal waar gebeurde verhalen zijn want het meeste is vet aangedikt met hier en daar een regel waarheid. Want laten we wel zijn, ik kan kwalijk tegen de buurvrouw zeggen dat ik haar een vreselijk lelijk paard vind waardoor de rits van mijn gulp als vanzelf weer omhoog gaat of tegen de slagersvrouw in een volle zaak vertellen dat zij van dat heerlijke zachte vlees heeft. Dat zijn dingen die doe je nu eenmaal niet. Maar op mijn toetsenbord kan ik mij lekker laten gaan en de boel aan elkaar schrijven zoals het mij uitkomt.

Gierig als ik ben zat ik nog steeds op een eenvoudig keukenstoeltje maar kon die houding nooit zo lang uithouden. Dan ben ik maar eens een lekkere stoel gaan kopen, zo’n wiebel ding met wieltjes en een handeltje aan de zijkant waardoor de stoel lekker achterover kan; soort managersstoel. Dat was wel even wennen in het begin want als ik de handel lostrok en mij achterover liet vallen in de verzinstand, zoals ik dat noem als ik nadenk, dan gebeurde het wel dat ik met me kop tegen de muur achter mij knalde. Dat ik hardleers ben blijkt uit het feit dat dit voorval zich nog 4 keer herhaalde. Hierna heb ik in mijn computerkamertje laminaat gelegd en daarop ben ik eens met nieuwe sokken aan op me bek gegaan op dat gladde laminaat, maar dat staat reeds beschreven in een ander verhaal dat ik bij gevolg eens zal plaatsen.

Net op het moment dat ik denk alles gehad te hebben ontdek ik de site ColumnX en prak er een verhaaltje op dat al vele positieve lezers heeft gekend. Wat er dan gebeurd is dat er geen spaan van mij heel blijft wat reacties betreft. Ik had het kunnen weten dat, als ik mijn neus in het wespennest der frivole columnisten steek met een niet goed over nagedacht verhaal, dat ik word afgemaakt. Maar zij zijn daar op hun manier eerlijk en zijn het vooral zo vreselijk met elkaar eens.
Sommigen adviseren mij om aan mijn steil te werken en daarmee een ander soort column neer te zetten. Nee zeg, kom effe. Ik blijf bij mijn eigen steil en hoop daar mensen mee te kunnen vermaken zonder de intentie te hebben een echte columnist te zijn.
Ondertussen vermaak ik mij enorm bij het lezen hoe anderen zich in bochten wringen om hun punt in een column duidelijk te maken. Zo’n bochtenwringster reageerde ooit bij mij dat het verhaal te lang is, en vervolgens weer te kort, en dan moest het weer meer to the point waarop ik antwoordde dat ze niet zo moest zeiken en ergens anders moest gaan janken.
Dit was de doodsteek voor mijn schrijversbestaan bij ColumnX. But who cares.

©Prlwytskovsky.

Een takeltje



Mijn werkgever schoof twee oprij binten op de laadbak en een tirfor takeltje want daarmee kun je die compressor op je auto trekken. Compressor? Vroeg ik. En hoe werkt dit? Maar schouderophalend draaide hij zich om en liep terug het kantoor in. Mijn opdracht was om op Rotterdam-Heijplaat een compressor te laden en die naar een scheepswerf in Harlingen te brengen.
Mijn DAF had deze week een nieuwe houten vloer gekregen dus zou die compressor er zo wel makkelijk oprollen dacht ik. En een stel nieuwe rongen lagen erbij maar die paste krap in de gaten. Afijn: stophout op de laadbak gegooid en twee stuks van dat oranje bindtouw, want je weet maar nooit dacht ik. Fluitend ging ik op pad.

Op Heijplaat stonden de mensen al te wachten en begonnen te lachen toen ze mij dat tirfortje zagen pakken. “Haha wat ben je daarmee van plan?” Lachte ze.
“Nou, dat ding moet er toch op? Of hebben jullie een ander idee?” Vroeg ik.
“Haha…” Lachten ze weer. “Weet jij wel hoe zwaar dat ding is?” Nee, ik had geen idee.
“8.500kg, en dat wil jij met dat takeltje erop krijgen?”
Ik hoorde ze onder elkaar praten over hoe zij mij konden helpen en de kraanmachinist zei dat als hij de veiligheid eraf haalde dat hij die compressor wel kon tillen. Maar dan alleen optillen en als die op hoogte is moet de chauffeur zijn auto eronder rijden.
Zo gezegd zo gedaan.

De kraan tilde onder het geven van bedenkelijke kraak- en piep geluiden de compressor op tot laadbak hoogte. Ik stuurde mijn auto er netjes onder tot ik  iemand ‘Ho’ hoorde roepen en de compressor door de veiligheid van de kraan zakte en met een doodsmak op de laadbak terecht kwam. Ik werd door mijn stoel tegen het dak aan gelanceerd en stapte verbaasd uit. Lachend personeel knikte mij vriendelijk toe.
“Afbinden hoef je niet meer chauffeur.” Lachten ze. “Hij staat meteen al goed.”
Als ik goed kijk zie ik dat alle vier de wielen van de compressor finaal door de nieuwe laadbak heen zijn gezakt. Sjezes dacht ik, hoe moet ik dat uitleggen als ik terug bij mijn baas kom.

Ondertussen was het al drie uur in de middag en ik moest als de brandweer naar Harlingen. Files waren er gelukkig nog niet en dus kon ik aardig doortrappen met 85km/u, want harder ging dat DAF’ie niet. Richting afsluitdijk dus. Daarna was het nog maar een peulenschilletje om op het losadres te komen. Helaas waren ze daar net met een ploegenwissel bezig. Ik werd met koffie in de kantine gezet en men kwam mij wel halen als de kraanmachinist er was. Het werd 19 uur, het werd 20 uur …. En eindelijk om kwart voor tien ’s avonds werd ik opgehaald. Auto onder de kraan gereden en een sterke kraanarm takelde de compressor van de laadbak af alsof het niets was en zwenkte de andere kant op. Vier grote gaten in mijn nieuwe laadbak achterlatend.

Mode was om dan de baas te bellen voor een retour vrachtje.
“Kom maar terug rijden en bij Amsterdam nog even bellen.” Zei een slaperige stem. Er was geen retourvracht maar wel de vraag om bij Den Haag nog eens te bellen. Ja, me hoela dacht ik en scheurde meteen terug naar Vlaardingen. Lekker me bed in; achter de gebreide broek zogezegd.

Het gesprek wat de volgende dag op het werk met mijn baas volgde, daarvan zal ik jullie de details besparen. Maar dat ik die compressor er niet met dat takeltje op- en af had gekregen vond hij maar raar.
“Er staat toch duidelijk op het label dat het tirfor takeltje maar 2.500 kg kan hebben.” Probeerde ik nog, maar nee: Baas was boos!
“En nou kan ik er wéér een nieuwe vloer in laten maken.” Huilde hij.

Ik liet hem en pakte mijn nieuwe rij opdracht uit het kastje. Een scheepsschroefje laden bij HVO Vlaardingen.
“Ohw en waarheen?”
“Dat hoor je daar wel!”

©Peter Verbeek.

Wandeling door Schiedam



Dwalend mijmerend loop ik door mijn stad, op zoek naar niets eigenlijk. Het centrum manifesteert zich door leegstand van winkels en biedt een troosteloze aanblik. Vroeger ja, toen ik nog jong was kon je hier over de hoofden lopen.
Via de Grote Markt wil ik naar de Hoogstraat maar bedenk mij en loop door de Brede Marktsteeg naar de Schie. Ik passeer de groene peperbus. Die bus werd ik als kind altijd mee bang gemaakt dat ik daar een hele week in moest zitten als ik stout was. Aan de overkant zie ik het zakkendragers huisje en het pand waar ooit een slijperij in was gehuisvest. Bedrijvigheid is er niet waar te nemen maar wel staan overal bloembakken om het geheel op te fleuren. Een glasblazerij prijst zijn waren aan maar er is niemand om ze te kopen.

Ik draai mij om en loop de Nieuwe Sluisstraat op naar de Dam. Vanaf de Beursbrug zie ik twee brandweerwagens voor de Korenbeurs staan en er lopen enkele brandweermannen rond. Dit beeld, in deze omgeving, roept herinneringen bij mij op en langs de Korenbeurs loop ik de Dam op. Ik ga linksaf naar de Korte Haven. Beneden op de hoek stop ik en kijk de haven af. De boom op de hoek van de Okkersteeg staat er nog. Weliswaar heel erg scheef gegroeid en de huizen zien er ook nog hetzelfde uit. Het muurtje waarachter ooit de bedrijfsgarage was, daar waar Piet dagelijks met zijn vrachtauto naar binnen reed, ziet er nieuw uit maar nog herkenbaar.

Ik loop verder en ben ter hoogte van de ingang van de nieuwe woonhuizen. De toegang doet mij stoppen met lopen, met denken en ja zelfs even met ademen. Ik leun tegen een meerpaal aan en kijk gebiologeerd naar de toegangspoort. Een uitgesleten marmeren stoepsteen verteld dat hier meer dan honderd jaar mensen hebben in- en uit gelopen. De stenen boog van de toegang is ook bewaard gebleven. Ik mijmer en zie na een dag hard werken weer bekende mensen naar buiten komen. Piet Woudenberg, Doris Nieuwaard, Jan in’t Veld, Kees Wuister en mijn vader. Hij zet zijn fiets tegen de pui en sluit de deur af. In mijn herinnering zie ik mijzelf weer naar binnen zie lopen. Ik kreeg dan altijd een handje drop of laurier (lik) poeder, of een stuk zoethout.
Maar hoeveel voetstappen staan er eigenlijk op deze stoep en wat is hun verhaal? Het verhaal van een pand ergens uit 1690 dat gebruikt werd als branderij voor de Schiedamse jenevers en destijds bekend stond als ‘De Dubbele Adelaar’.

Aan deze bedrijvigheid kwam abrupt een einde door een allesvernietigende brand. De oude karakteristieke gevel stortte zich daarbij vermoeid zuchtend in de Korte haven. Een periode werd daarmee afgesloten.

Daar zit ik dan, voor die toegang en het is net alsof ik hierdoor zomaar in het verleden kan binnenstappen maar een modern bellenblok weerhoudt mij daarvan. Met moeite trek ik mij los uit mijn mijmering en loop terug naar de Sluis. Het brandweerpersoneel is er nog evenals de twee brandweerauto’s. Bijna staan zij op dezelfde plek als op die laatste dag in Mei, in 1968.

Terug loop ik over de Korte Dam en kijk even bij nr.5 naar binnen, daar waar ooit het kantoor was gehuisvest. Maar het is onherkenbaar geworden.
Geëmotioneerd loop ik terug naar mijn auto en rij weg uit het verleden.

©PeVerBeek.