Lazy summerday



Je kent ze vast wel, die zomers met die drukkende warmte. Wandelend door de polder. De zon schijnt brandend op je huid en zweet parelt langs je hoofd en lichaam, en baant zich een weg naar beneden. De weinige kleding plakt aan je vast.

Op een smalle landweg ga ik in het gras zitten, langs een slootkant. Een libelle zoemt langs mij heen op zoek naar een prooi of naar een plek om te zonnen. Het wateroppervlak ligt er roerloos gladgestreken bij. Waterplanten staan bewegingloos in de sloot en proberen elke zonnestralen te vangen.
De warmte maakt loom en ik ga achterover in het gras liggen en tuur langs de blauwe hemel. Één enkel wit wolkje zie ik, meer niet. In de verte hoor ik het geluid van een vliegtuig. Langzaam droom ik weg in deze serene stille oase van rust. Een lieveheersbeestje landt op mijn borst en loopt van links naar rechts, tussen mijn begroeiing door. Ik laat hem, of haar. Een man en een vrouw fietsen aan mij voorbij. Zij praten en lachen maar hebben mij niet gezien in het hoge gras.

Een cessna vliegt boven mij met een reclamesleep achter zich aan. Het zingende monotone geluid van de motor krijgt een heel ander timbre in deze warmte dan met elke andere weersgesteldheid. Wat er op de reclamesleep staat kan ik niet lezen want ik lig er recht onder. Heel langzaam ebt het geluid weg en de cessna glinstert alleen nog in het zonnelicht. Bijna uit het zicht zie ik hem nog net naar links draaien en dan ben ik hem kwijt.
Het lieveheersbeestje ben ik ook kwijt. Ongemerkt vloog het weg van mij, zoals ooit ook andere dingen van mij wegvlogen. Maar daarover misschien een andere keer.

Rechts van mij zit een vogel op een tak, een merel denk ik. Of hij mij ziet weet ik niet maar ik blijf onbeweeglijk liggen en luister naar zijn gezang.
Hoog in de lucht vliegt een grote vogel. Ik zie zijn vleugels op en neer bewegen en tuur hem na. Hoe verder hij wegvliegt hoe meer het beeld van de vliegende vogel vertekend. Zijn vleugels blijven nu stil en het lichaam lijkt op en neer te bewegen.
Aan de horizon zie ik in de trillingen van de warmte een trein voorbijrijden op het traject Delft-Schiedam, door de afstand zonder geluid. Trillend in de warmte snelt hij voort, langs Veere aan de Kandelaar. Een dorp dat ik in een ander verhaal al eens heb benoemd.
Ik sta op en meteen vliegen er drie vogels weg. Ongemerkt waren zij heel dicht bij mij gekomen. Over het smalle pad wandel ik terug, terug naar huis. Soms even omkijkend naar deze natuurlijke idylle.
Schreeuwende fietsers en toeterende auto’s doen mij realiseren dat ik weer terug ben, terug in de realiteit; maar het is er net zo drukkend warm.

Heerlijk toch, om een totaal andere wereld vlak naast de deur te hebben en er in te kunnen stappen wanneer je maar wilt.

©Prlwytskovsky.

Herinneringen

Tags

, ,



Mijn oom en tante hadden vroeger kippen. Ik praat over net na de oorlog dus over de eindjaren 1940 begin 1950. Zij woonden in een vrijstaand huis met grindpaden rondom het huis en een tuin waar je U tegen zei; met van die rood-groen gekleurde houten blinderingsschotten voor de ramen die elke avond steevast gesloten werden door oompje. Dat huis staat er nog steeds in Bennekom aan de bosweg. Destijds aan de rand van het dorp maar tegenwoordig is de omgeving helemaal volgebouwd.

Als kind, ik was toen een jaar of vijf, keek ik vol bewondering en vooral angstig naar hoe de loonbedrijven de korenvelden aan het maaien waren waarbij de machines bijna tantes tuin inreden. Wat vond ik dat een avontuur om in tantes tuin rond te dwalen en naar die machines te kijken.

In mijn gevoel zat ik uren voor het kippenhok en vertelde hele verhalen tegen die beesten waarbij ik ze namen gaf zoals: Trudy, Petra en Christine. Hetgeen ter plaatse ten aanzien van kippen een zonderling verschijnsel was. Maar oompje lachte zich ondertussen een kriek om mij als hij met harde hand het kippenhok omploegde.
“Hoe heten ze ook alweer.” Vroeg hij dan?
“Trudy, Petra en Christine.” Zei ik, en wat had die man dan een lol. Maar ik had het over tante. Tante is een hoofdstuk apart waar ik wel flink wat delen over zou kunnen schrijven maar vandaag hou ik het simpel.

Na heel wat jaren geen contact te hebben gehad bestond het volgende bezoek uit een condoleance bezoek want oompje was overleden. Op dat moment besefte ik pas hoe lang het geleden was dat ik tante gezien had want ik was ondertussen 29 jaar geworden en tante een ouwe tante.

Jaren later kneep tante er heel zachtjes tussenuit. Op den duur zei tante niets meer en leek alleen maar te slapen. Maar elke zaterdag ging ik trouw naar haar toe om te zien hoe het met haar ging, of ze ergens behoefte aan had. En op één van die bezoekjes gebeurde er iets merkwaardigs. Elke keer als ik kwam lag tante bewegingloos te slapen maar net die ene keer daar gaat het nu even om, die ene keer deed tante haar ogen plotseling open en keek mij recht aan met een paar gitzwarte kijkers. Ze lachte zelfs naar mij en bewoog zwakjes haar hand. Ik pakte die hand en omklemde hem met beide handen. Het duurde enkele seconden maar dit moment zonder woorden vertelde een heel levensverhaal.

De week hierna overleed tante op 89 jarige leeftijd.

Vandaag, 43 jaar na haar overlijden, denk ik ineens aan dit moment en aan tante. Ik zie het weer zo duidelijk voor mij en mijmer …..
Jammer toch dat mensen doodgaan voordat je ze beter hebt leren kenen en te laat pas dingen tegen ze wilt zeggen.

©Prlwytskovsky.

Belletje trek



Weer die rot bel. Voor de zoveelste keer ren ik naar de voordeur, open deze en zie ….. niemand! Dit gaat mij een beetje de keel uithangen en ik zin op wraak maar hoe.
Het hok waarin ik op mijn computer verhaaltjes pleeg te schrijven, bevind zich aan de galerijkant. Als er weer wordt gebeld sta ik meteen op en kijk naar buiten maar zie niemand. Wel hoor ik iemand met een korte snelle pas weglopen. Belletje trek?

Kort daarna gaat de beneden bel, ik grijp de huistelefoon en hoor een kind vragen of ik de beneden deur wil openen. Ik reageer er niet op en wil verder gaan met waar ik mee bezig was. Met mijn hand nog op de huistelefoon leunend gaat de boven bel. Ik ruk meteen de deur open en steek mijn kop naar buiten. Ik hoor snelle stappen op de galerij en kijk meteen naar waar het geluid vandaan komt. Een blond knulletje rent naar het verkeerde einde van de galerij: het stuk dat doodloopt.

Nu heb ik je, denk ik, en trek een sprintje achter die knaap aan. Met open armen loop ik de hoek om en zie  …… niemand! Helemaal niets, niemand. Dat kan toch niet? 3 seconden zat hij voor mij, op een doodlopende galerij op de negende etage? Word ik gek? Zie ik ze karren? Niet begrijpend loop ik mopperend over de galerij terug naar mijn huisdeur en kijk naar beneden. Op de parkeerplaats zie ik datzelfde mannetje staan. Hij lacht naar mij en zwaait. Knorrend kijk ik hem aan maar de afstand is te groot om zijn gezicht goed te kunnen zien.

Maanden later loop ik door het park, het park waar ik reeds eerder over schreef dat er zo verlaten bij ligt. Ik ga aan de waterkant zitten en kijk naar de voetballende kinderen. Een bal komt mijn richting op en met een snoekduik vang ik hem op. Als ik opsta om de bal met een rotschop terug te schieten zie ik een kind voor mij staan, een blond jochie. Net iets te lang kijken wij elkaar aan. Hij pakt de bal af en rent terug naar de groep. Zo snel ik kan ren ik er achteraan en aanschouw de groep maar nergens is dat blonde jochie te bekennen, opgelost in lucht. Net als destijds op de galerij.

Op een zeldzame mooie dag in juni, in het jaar des Heren 2017. Ik zit met een biertje op balkon en lees een blaadje. Links van mij neem ik een beweging waar. Wat het is weet ik niet, mogelijk een duif want die pesten mij al zolang ik hier woon. Mijn ogen laat ik in hun kassen naar links rollen zonder mijn hoofd te bewegen. Een kind staat mij over de balustrade aan te kijken terwijl dat huis naast mij al weken leeg staat. Het is dat onbekende blonde jochie. Langzaam beweeg ik mijn hoofd in zijn richting. Hij glimlacht verlegen.
Wie ben je? Vraag ik.
Zoals verlegen kinderen kunnen draaien zo draaide hij ook. Jij kent mij niet, zegt hij. Maar je had mij gekend kunnen hebben. Deze woordpuzzel begreep ik niet en vraag hem mij dit uit te leggen. Toen ik hem recht aankeek zag ik hem in een waas oplossen en verdwijnen.
Nu zat ik recht op mijn stoel want dit leek op magie, of het spookt hier. Bijna verslikte ik mij in de laatste slok van mijn bier toen ik rechts een beweging zag. Ik bedacht mij geen moment, sprong op en rende naar die plek op het balkon regelrecht met mijn smoel tegen het zonnescherm aan. Vloekend en tierend stond ik daar, vooral kwaad op mijn eigen stommiteit. Het kind lachte zich in een deuk en ik keek om waar zijn geluid vandaan kwam.
Hij zit in mijn stoel en kijkt mij aan. Langzaam loop ik op hem af en ga tegenover hem op het beton zitten, met mijn rug tegen de balustrade. Wij kijken elkaar nu recht aan.
Wil je wat drinken, vraag ik hem?
Nee, schudt hij.
Wie ben je, vraag ik hem nogmaals.
Waarom ben jij weggegaan, vraagt hij?
Slimmerik, jij beantwoordt mijn vraag met een tegenvraag.
Ja, zegt hij, van jou geleerd.
Maar ik ken je helemaal niet, zeg ik. Help mij eens; waar moet ik zoeken?
Denk eens ver terug, heel ver terug. Waarom ben je toen weggegaan? Nu kan ik niet verder en moet ik hier blijven.
Wat bedoel je vraag ik, waar heb je het over?
Jij bent bij mijn moeder weggegaan voordat ik kon komen en daarom moet ik nu hier blijven.

Ik denk na over zijn woorden. Woorden van een kind die mij tot beschamend stilzwijgen manen; een zeldzaamheid. Hij ziet mijn emotie en lacht verlegen naar mij.
Begrijp je het nu? In de wereld waarin ik leef worden wij steeds jonger en jonger. Als wij baby zijn, daarna pas, kunnen wij in jouw wereld geboren worden om in jouw wereld ouder te worden en daarna te sterven om terug te keren naar mijn wereld, snap je? Dat is de cyclus. En jij hebt dat doorbroken door weg te gaan bij mijn moeder.
Nu valt het kwartje bij mij en ik wil hem aanraken maar ik voel niets en grijp door hem heen. Raak mij aan zeg ik. Hij lacht verlegen en zijn verschijning wordt steeds waziger. Hij tilt zijn hand op en zwaait en lost op in het niets.

Ik raak het kussen aan waar hij op gezeten heeft maar ik voel niets, ik tuur mijn omgeving af maar zie niets; ik roep maar ik hoor niets. Niets heb ik er ooit meer van vernomen.

Was dit een signaal uit een andere wereld?

©Prlwytskovsky.

Das zug

Tags

, , ,



Met mijn oor lig ik op de railstaaf en hoor de trein aankomen. In de verte doemen de koplampen van de locomotief op en hij trekt aan zijn stoomfluit … pwieeeeew–pwieeewww puf-puf-puf-puf, waarschuwend dat ik opzij moet gaan maar ik blijf gewoon liggen als de locomotief op mij af komt denderen. Het kan mij allemaal niet meer schelen.
Ik heb het dus over mijn zijkamer vullende modelspoorbaan die ik ooit had maar nu niet meer heb maar ik duik even terug in het verleden. Denk je dat je zonder te lachen kunt meelezen?

Afijn, er deden zich destijds wat probleempjes voor met de stroomopname. Dus heb ik de rails licht opgeschuurd en dan rijdt alles zoals het hoort, zonder ongelukken welteverstaan en vooral op tijd. Daar kan de NS een puntje aan zuigen. Ineens is er een geluid dat er niet hoort te zijn en niet veel later wordt de hele trein, onzichtbaar voor het oog, uit de rails getrokken doordat er een wagon is ontspoord. Ik kan je mededelen dat dit spoorwegongeval plaatsgrijpt in een tunnel onder een plaat hout in een hoek waar ik niet bij kan. Uitgerekend daar dus.

Mijn schroefboormachine ligt gelukkig nog onder handbereik en ik begin eerst de rails van de bovenplaat te verwijderen. Hierna schroef ik de bovenplaat los en zie de ravage. Persoonlijke ongelukken deden zich hier niet voor, hoewel ….? Ik moet onder de tafel doorkruipen om aan de andere kant te kunnen komen en sta net iets te vroeg op. Toing .. krrrrakk … wel gllloeiende-gloeiende. Tegen dit geweld kan de andere trein die even verderop staat te wachten ook niet op en hij valt waarschijnlijk als van schrik spontaan om. Eerst deze trein op de rails zetten maar wel op een plek waar ik goed bij kan komen. Vervolgens de boel dichtschroeven en de rails terugleggen.

So far so good.

Dan kruip ik onder de tafel door naar het volgende spoorwegongeval om aan de andere kant weer boven te komen zonder ergens mijn hersens tegen te stoten.
Lach niet!
Ik wil de trein weer op de rails plaatsen en heb daar een wielengeleider voor aangeschaft die de locs en de wagonnetjes op de rails geleid zodat ik ze niet zelf op de rails hoeft te pielen. Maar die ligt uitgerekend net aan de andere kant van de baan. Ik stroop met mijn arm voorzichtig langs de objecten en rek mijn arm uit. Weer lawaai. Maar nu niet van ontspoorde treinen, nee, ik blijf met mijn mouw ergens achter hangen en trek een heel stuk rails mee. Het zit me echt niet mee vandaag. Ware ik grof gebekt dan had ik nu waarschijnlijk hartgrondig gevloekt maar ik hou mij in en gebruik krachttermen als grote griebeltjes, goeie grutjes of oh jeetje. Rustig als ik ben zet ik zachtjes fluitend alles weer in elkaar en draai aan de knop om de trein te laten rijden.

Er gebeurt niets.

Ik rammel hier en daar eens aan. Meer om mijn ego te strelen dan dat ik dit verstandelijk kan beredeneren maar helaas: er komt geen beweging in!
Nu krijg ik zin in nog een treinramp maar dan eentje die ik zelf zou willen veroorzaken. Ik kan mij beheersen en ga op onderzoek uit. Alles zit aangesloten zoals het hoort maar de hele zaak blijft dood- en doodstil staan. Totdat mij opvalt dat er een oranje stekker in het verlengsnoer zit die er niet in hoort namelijk die van de schroefboor. Ik verwissel de stekkers, draai de knop van de trafo naar rechts en de treinen beginnen als vanzelf te rijden. Met een diepe zucht van tevredenheid zet ik beide treinen stil op hun speciale eigen plek en trek de stekker eruit.
Tevreden overzie ik het geheel en oordeel: Leuke hobby, modeltreinen. Het geeft je net die broodnodige ontspanning.

©Prlwytskovsky.

Liftpraat

Tags

, , , ,


Een buurman die zojuist zijn hondje heeft uitgelaten staat bij de geopende liftdeur op mij te wachten als ik met volle tassen naar de lift loop.

“Naar welke etage gaat u?” Vraagt hij.
“Negen.” Zeg ik en buurman drukt op de etageknoppen 7 en 9.
“Het is gelukkig niet meer zo benauwd als dinsdag.”
“Nee.”
“Gisteren was het anders een stuk koeler.”
“Ja.”
“Maar vandaag mogen we ook niet klagen.”
“Nee.”
“Zo is het wel lekker weer, met een beetje zon.”
“Ja.”
“Ik hou niet van die warme dagen. U?”
“Nee.”
“U heeft de boodschappen al gehaald, zie ik?”
“Ja.”
“Hier moet ik eruit, nog een prettige dag gewenst.” En de man wandelt de lift uit.
“Bedankt voor het praten.” Zeg ik en de liftdeur glijdt dicht.

©Prlwytskovsky.

Theofilus

Tags

, ,



Theofilus is een naam met een diepere betekenis. Denk daar niet te min over. Van oorsprong is het een koppeling van twee Griekse woorden. Theos wat God betekent, en filos wat vriend betekent. Een Vriend van God dus. Naderhand kwamen er meerdere varianten op deze naam zoals Theo en Thea, Theofiel en Theodorus. Dorus wordt zo iemand dan al snel genoemd en mocht je de waarheid niet spreken dan is er altijd nog Theoloog. Theoviel bestaat ook maar daarover later.

Punt is dat er in Schiedam ook een Theo rondwaart. Weliswaar onzichtbaar voor mij maar toch is hij er. Theo hoort namelijk geluiden en dat laat hij aan iedereen weten die het maar horen wil- en bovenal niet horen wil. Theo heeft namelijk een bijzondere wekker: een vliegtuig! Nu denk je natuurlijk nou en: wat kan mij dat schelen? Maar zo simpel is dat niet. De vliegtuigen van Theo zijn niet op één hand te tellen en stijgen ’s morgens om de tien minuten op en geven daarbij nog een extra dot gas boven het zwerk van Theo. Dit om hem op tijd te wekken. Iets waar Theo niet zo gecharmeerd van is. Maar genoeg over Theo nu.

Van de week bijvoorbeeld, liep ik weer eens door mijn Schiedam en keek mijn ogen uit. De stilte die je daar ziet is gewoon beangstigend. Een winkelstraat waar, vanaf het stadhuis komend, niemand loopt. Een glasblazerij prijst er zijn waren aan maar er is niemand om ze te kopen. Verderop een drankenzaak waarin de verkoper verveelt op zijn toonbank leunt. Een nieuwe winkelier die in helder licht zijn pannen te koop heeft staan in een mensloze winkel. Een aannemer verbouwt een winkel en draagt een stuk hout naar binnen. Hoe zinloos lijkt dat want er is niemand die er zijn nering drijft. Maar ja: men zegt dat het er leuk uit gaat zien.

Bij de handige man en een print cartridge gekocht en dan krijg je er meteen een gratis pak A4 papier bij- en zelfs een usb stick van 8Gb.
“Dat raak je anders aan de straatstenen niet kwijt zeker?” Merk ik terloops op.
Vriendelijk lachend wordt alles ingepakt en overhandigd. Ik lach schaapachtig terug.
Dan de hol af en even bij mijn vrienden langs. Kwestie van me neus laten zien. Handjes schudden, bakkie koffie en een beetje bijpraten. Wij komen te spreken over het verval in onze stad, over panden die worden afgebroken en panden die juist niet worden afgebroken. Over de gaten die deze afbraak achterlaat alsof er een tandarts kwistig met zijn trektang is omgesprongen en hier en daar willekeurig een kies heeft uitgetrokken. Één gat hebben ze zelfs de naam van een voormalig wethouder gegeven. Kan je nagaan.

Al kwebbelend in de krappe ruimte met twee stoeltjes verschijnt er ineens een mooie blonde vrouw. Tijd om op te stappen. Nee nee, niet dat ik bang ben voor blonde vrouwen want ik prefereer daarentegen zelfs zeer krappe ruimtes met daarin een blonde vrouw die je zonder goed fatsoen niet kunt passeren. Maarrrr ik dwaal af, er is meer te doen en ik loop verder.

Een vrouw met een kind achterop haar fiets heeft moeite met afstappen in correlatie tot haar evenwicht en loopt moreel en fysiek paars aan. Kind wordt uit het zitje geplukt en de fiets pardoes tegen een boom gesmeten. Moeder met kind lopen verder en de fiets zie je denken: zal ik omvallen of niet?

Fietsen. Ook zoiets waar Theo over ‘viel’. Letterlijk. Maar daarover misschien een volgende keer.

©Prlwytskovsky.

Kapperspraat

Tags



Aan je kapper vraag je of hij jou haar wil knippen.
De kapper zegt dan gaandeweg: “Ik zal het hier ook nog wat bijknippen.”
Knippen op zich is iets waar je haar korter van wordt maar het bijknippen lijkt mij zoiets als het afgeknipte haar er weer aanzetten.
“Ik vind het toch niet zo leuk hoor, doe het er maar weer aan.”

Als de kapper dan eindelijk klaar is houdt hij altijd een spiegel achter mijn hoofd en zegt dan: “Zo, dat is weer een heel ander gezicht, hè Peet?” Terwijl mijn gezicht juist aan de andere kant zit.

©Prlwytskovsky.

Mollen



De Nederlander die zijn vakantie op het platteland doorbrengt is in de overtuiging dat een koe boter, kaas en eieren legt. Hoe juist deze levenswijsheid ook is, het gaat er ten plattelande wel iets ingewikkelder aan toe.

Wij hadden namelijk vroeger een volkstuin en daar gebeurden gruwelen: er waren mollen in de tuin! Overal ontstonden molshopen. ’s Morgens waren het er tientallen in de bloembedden, tussen de groenten en onder het tuinmeubilair. Je gaat in een tuinstoel zitten en dondert gelijk omver omdat een van de stoelpoten in een mollengang verdwijnt. Het was een zitje van drie stoelen en als die allemaal bezet waren gebeurde het dat drie schots en scheve mensen om de tafel hingen, allemaal met een stoelpoot weggezakt in een mollengang. Het leek bij ons wel een open inrichting, op die manier. Eerst ergerde mijn vader zich aan al die mollen. Toen werd hij kwaad, een week later was hij al overstuur en tenslotte overspannen.
“Hoe krijg ik ze dood?” Vroeg hij aan de omliggende volkstuinders. Sommige fijnproevers adviseerden hem strychnine, maar dat vond hij wel wat ver gaan.

Wij fietsten naar de volkstuinderscoöperatie. Daar hebben ze namelijk alles inzake leven zowel als dood, alsmede schrikdraad om eromheen te zetten. Hij vond er een busje van een onuitspreekbaar merk. Pa was ondertussen van al die dagelijks terugkerende molshopen heel gestrest en de zogenaamde- en veel geprezen rust van het platteland heeft namelijk een verwoestende uitwerking op het geestelijk evenwicht van de landman.
In het doosje zat een poeder. Hij las de gebruiksaanwijzing. Het bleek dat hij eerst tweehonderd gram regenwormen moest verzamelen. Dat zou geen probleem zijn want hoe je dat moet doen heb ik geleerd toen ik een verwoed hengelaartje wilde worden. Je steekt een spade in de grond en je klopt die spade een tijdlang heen en weer. Dan komen de wormen vanzelf naar boven. Die pak je. Ze bijten niet. Alles bijt op het platteland behalve regenwormen.

Hoeveel is tweehonderd gram? Wij stelden ons voor dat ik een handjevol wormen op de weegschaal zou leggen en hij zou dan aflezen dat ze samen 186 gram wogen. Nog 14 gram wormen erbij zoeken! Hij leest het volgende van de gebruiksaanwijzing: “Snijd de wormen in stukjes en doe ze in het busje. Sluit de deksel en schud. Het middel is nu gebruiksgereed. Maak elke 2 a 3 meter een gat in de mollengang en leg hierin de gesneden wormen.”

Opgewonden rekende Pa af en als een speer gingen wij terug naar de tuin. Hij zou ze krijgen, die mollen! Eenmaal terug op de tuin staken wij een spade in de grond en jutterde deze heen en weer. De wormen kwamen op en ik legde ze op de weegschaal. Twee ons wormen; dat bleek nog een hele hap. Toen pakte Pa de broodplank en het aardappelschilmesje en stond op het punt om ze julienne te snijden zoals ook het snijden van soepgroente heet. Op dat moment werd toch nog, als door een godswonder, de stadsmens in hem wakker: wij huiverden.

Hoe dat afloopt is een van de geheimen van het platteland.

©Prlwytskovsky.

Een leeg park

Tags

, ,



Zomaar een zomerse dag. Het park onderaan onze flats ligt er verlaten bij. Niemand die een hond uitlaat, die zich afbeult op de trimbaan of aan het joggen is. Het grasveld ligt uitgedroogd in de zon te stralen maar wordt niet gebruikt door spelende kinderen met wakende moeders op bankjes die hun kroost in de gaten houden.
Een eenzame wandelaar loopt over de kronkelende paadjes en kijkt naar de bedden waar narcissen horen te staan maar die al door de grasmaaier zijn weggemaaid. Een klimop leeft zich uit in frisse groene kleuren terwijl zijn gastheer er treurig en kaal bijstaat. Een boom neigt naar omvallen nadat hij door de laatste storm is scheef geduwd maar hij houdt zich met zijn wortels kranig vast. De speeltuin en de zandbak liggen er verlaten bij. Door de zachte wind beweegt de schommel traag heen en weer.

De wandelaar kijkt langs de balkons en ziet niemand buiten zitten terwijl het toch al rond het middaguur is. Lege stoelen met een enkele tafel staan buiten, dat wel. Maar niemand laat zich deze zonnige dag, op dergelijk uitnodigend meubilair, al zonnend welgevallen.
Zomaar een dag begin juni. Een wijk vol flats en een verlaten park met een eenzame wandelaar. De wandelaar kuiert verder en blijft op het bruggetje staan. In het water ziet hij een karper langzaam onder hem door zwemmen. Vogels zijn druk met het bevoorraden van hun nesten. Een reiger staat langs de waterkant te gluren of er niet een smakelijke kikker langskomt.

De wandelaar loopt om de flat heen naar de parkeerplaats. Overal lijkt ineens het lawaai vandaan te komen. Een man wast zijn auto en heeft daarbij zijn autoradio hard aanstaan. Auto’s rijden door de straat en de bestuurders menen eerst hard te moeten optrekken om dan met gillende banden te stoppen. Zo nutteloos allemaal. Rondhangende knullen brullen om het hardst in een vreemde taal. Reigers en vogels zijn aan deze kant niet te vinden.

De wandelaar aanschouwt het tafereel en loopt terug naar de achterkant van de flat, terug naar het park. Op het moment dat hij om de hoek verdwijnt is het alsof hij in een andere dimensie stapt; terug in de rust en de stilte van het park. Twee werelden zo dicht naast elkaar, slechts gescheiden door flats. Het lijkt wel of mensen het genieten in- en van de natuur verleerd zijn terwijl de natuur toch de bakermat van ons bestaan is.

©Prlwytskovsky.

Scripta manent

Tags



Ab imo pectore
(uit het diepst van het hart) Verba volant (woorden vervliegen) Scripta manent (het geschrevene blijft)
Lees hoe Prlwytskovsky zich opwind, de boel helpt opjutten en genoegzaam het slagveld verlaat.

Ab imo pectore : Uit het diepst van het hart vervloek ik die droplul met die donkerrode pausmobiel die invoegt vanaf de 3e linkerrijbaan naar de rechter rijbaan om direct de afslag te nemen waar onder andere ik, met mijn cinquecento kom aan scheuren. Mijn voorganger is het met de voornoemde actie niet eens en dwarsboomt het asociale verschijnsel dat het een lieve lust is. Heftig remmen is het gevolg. Bijna wordt mijn 500’tje geraakt maar door mijn doortastend en vooral vooruitkijkend optreden wordt een aanrijding vermeden. Het onbeschofte individu kijkt nergens anders naar en rijdt zonder meer de autobaan weer op. Aankomend verkeer moet hun heil maar zoeken.

Verba volant: Figuren achter voorruiten ballen hun vuisten en schreeuwen de meest onverstaanbare woorden vanachter hun stuur naar de zich misdragende chauffeur. De betiteling ‘zich misdragende chauffeur’ is nog te zoet voor een voertuigbestuurder als deze. Halve zool, klootzak of woorden van gelijke strekking zouden beter op hun plaats zijn maarrrrr ….. woorden in het algemeen en scheldkanonnades komen niet aan bij het betreffende figuur. Mijn filosofie in dit soort situaties is dan ook: als twee woorden niet aankomen dan zijn 1000 woorden verspilling.

Scripta manent: Onder aan de afslag bevind zich een stoplicht dat altijd op rood staat. Soms staat dat op groen maar dan ben ik niet in de buurt; dit even ter zijde. Het stoplicht staat dus op rood. Het ruziënde stel automobilisten zit zich te verbijten en stukken stuur worden weg geknaagd en verdwijnen gestaag naar de maaginhoud van de koetsiers; wachtend op groen licht kunnen zij nu geen kant meer op. Middelvingers die omhoog gaan, andere vingers die naar voorhoofden wijzen, stoomwolken die uit voertuigen opstijgen, passanten die de boel opjutten en dan springt eindelijk het licht op groen.
Als storend element komt er plotseling een agent met motor achter een boom vandaan. Hij heft zijn hand op naar de bestuurders ten teken dat zij moeten stoppen. Gewillig zetten zij hun voertuigen aan de kant en stappen uit. Schaapachtig kijkend lopen zij gebroederlijk op de agent af. Agentmans trekt een map uit zijn binnenzak en begint met grote halen te schrijven. Ik zie gele bonnetjes wapperen terwijl oom agent gestaag doorschrijft. Omstanders kijken genoegzaam toe.
Zoals gezegd: Scripta manent!

©Prlwytskovsky.