Buurvrouw


Enige tijd geleden ben ik begonnen om een modelspoorbaan in elkaar te zetten. Daar heb ik soms hout voor nodig. Sommige stukken hout zijn vaak net iets tekort, aan één kant maar gelukkig. Dat zijn van die kleinigheidjes die je als spoorwegman tegenkomt zoals ook het repareren van een koppeling met een traumatisch veertje dat ik in een eerder verhaal al eens beschreef.

Laatst was ik weer naar de Gamma geweest en sjouwde met platen hout en latjes over de galerij toen buurvrouw haar hoofd om de hoek stak. Nieuwsgierig kwam ze naar me toe en vroeg wat ik ging maken, waarschijnlijk bij voorbaat al bang voor luid getimmer en gezaag naast haar. Ik vertelde haar dat ik een open haard ging maken in de woonkamer. Verbaasd keek ze mij aan: maar dat mag toch helemaal niet hier in de flat? En u hebt niet eens een schoorsteen. Piepte ze angstig. Nou buurvrouw kijk eens hier, ik maak met een glassnijder een gat in het klapraam en daar leg ik het rookkanaal doorheen zodat alle rook naar buiten gaat. Het wordt dan heel gezellig bij mij en dan wilt u zeker graag een kopje koffie komen drinken als de haard brandt?
Haar deur knalde dicht en ik bracht mijn hout naar binnen.

Het zal twee uur later zijn geweest dat de deurbel ging. Ik deed open en zag de huismeester staan met een grote smile op zijn gezicht. Mag ik even binnenkomen vroeg hij. In de gang vroeg ik of hij een biertje wilde.
Eenmaal aan het bier zei hij: Peet, wat ben je toch een rotjong he? Maar hij kon zijn lachen niet inhouden en we hebben het toen nog even over mijn modelspoor gehad en over zijn huis in de achterhoek waar hij snel gaat wonen als hij met de vut gaat.

Vanmorgen liep ik met mijn wekelijkse boodschappen naar de lift toen ik buurvrouw tegen het vege lijf liep. Ze bleef staan en begon te praten. Buurvrouw is een spraakwaterval met een woordkeuze waar de honden geen brood van lusten. Ze spreekt zonder spaties en vergeet tussen haar zinnen door adem te halen wat resulteert in heel raar praten. Dus ik fungeer als luisteraar en knik op tijd ja en nee want daar moet ik dan wel op letten. Ondertussen keek ze in mijn tas en zag de sla en andijvie voor één soort groente aan. Zo Peet, eet je dat allemaal op joh? Nee buurvrouw, ik maak hier twee maaltijden van en de rest voer ik aan mijn kippen. De liftdeur gleed dicht.

Nu ben ik benieuwd wanneer de huismeester weer een biertje komt drinken.

©Prlwytskovsky.

Regen


Het regende hard en lang die zondag in 1953. Ik stond aan het raam en keek naar buiten. Zes jaar was ik en kon net met mijn elleboogjes op de vensterbank leunen, met mijn handen onder m’n kin. Op deze manier overzag ik de hele straat vanaf de ene kant waar een doorgaande weg liep tot aan de andere kant waar een parkje begon met een grote vijver. De overburen kende ik  allemaal en wist zelfs hun achternamen. Ik kende de overburen beter dan de buren uit m’n eigen rij want daar kon ik niet bij naar binnen kijken. Als er nieuwe mensen kwamen wonen gingen mijn vriendje en ik gewoon op hun naambord kijken hoe zij heten.
Wij woonden in een flat op de vierde etage en zodoende had ik ook een prachtig uitzicht over de daken. Het waren puntdaken die niet met pannen maar met teer bedekt waren. Er stonden schoorstenen op. Als het regende glommen die daken als een spiegel.

In de straat was ook alles nat en de straatstenen glommen alsof ze gepolijst waren. Het water dat vanaf de straat de goot in liep verzamelde zich daar en dat kon je dan volgen tot het in de put verdween. Ik gooide weleens een op mijn manier van papier gevouwen bootje in zo’n stroompje en keek dat dan na tot het in de put verdween.

Dat nakijken was iets dat heel lang kon duren omdat de putten ver uiteen lagen. Er stonden in die tijd nagenoeg geen auto’s geparkeerd zodat je dat allemaal mooi kon volgen. Bij de put hoorde je dan een slurpend geluid en als het erg hard regende leek het wel een riviertje. Op de daken zag je de regen op het teer kletteren en om de schoorstenen heen dansen.

De eerste T.V. antennes werden aan die schoorstenen vast gemaakt en deze hadden het met de wind en regen niet gemakkelijk. Ik wist welke antenne bij welke huis hoorde. Dat was niet moeilijk omdat je eenvoudig de draad kon volgen van de antenne naar het huis. Hele lange spijkers met witte koppen hielden die draden vast en daar waar zo’n draad naar binnen ging was gewoon een gat in het houtwerk geboord. Een van de eerste T.V.’s in onze straat stond bij een buur recht tegenover ons en het zoontje des huizes, Corrie, was daarom ineens ons vriendje. Daar mochten we dan op woensdagmiddag komen kijken. We waren soms wel met z’n achten.

Kijk, daar komt Karel van Loon aan op zijn motor met zijn vrouw achterop. Gekleed in donkerrode lederen motorkleding met van die leren mutsen op en lange leren handschoenen aan. De rode Jawa motor werd op de standaard op de stoep gezet met het sleuteltje er nog op.

Buurman de Vries wilde met zijn Ford-Versaille wegrijden maar de auto wilde dit niet. Hij droeg een lange lodenjas en had een gleufhoed op. Hij opende de motorkap en prutste er iets onder en na dit enkele keren herhaald te hebben sloeg de motor aan en reed hij weg. Dat hij helemaal doorweekt moet zijn geweest was nergens aan te merken.

Het was druk in onze straat want er stonden vier auto’s. Twee hoorden er thuis en twee waren er van visite. Als je langs alle ramen keek kon je ontdekken bij wie de visite was. Er zaten dan veel mensen met nog meer handen te gebaren. Er werd gelachen en bij sommige werd ook gedanst in dat kleine flatje. Bij ons niet, bij ons brandde de oliekachel. Mijn Moeder zat sokken te stoppen en mijn Vader luisterde met een sigaar tussen zijn lippen en de krant in zijn handen naar het voetballen op de radio.
De regen viel met bakken uit de hemel. De straat was glimmend nat en stil. Ik keek uit het raam en zag aan de overkant mijn vriendje voor het raam. Hij zwaaide naar mij, ik zwaaide terug.
Zondags ging je immers niet buiten spelen.

©Prlwytskovsky.

Prlwyts en vrouwenkleding


In de paskamer waarnaast ik een spijkerbroek pas staat een vrouw die met een schrille snerpende stem vanachter het hermetisch gesloten gordijntje haar man er op uit stuurt om andere kleren voor haar te zoeken, en bij haar te brengen. Hij doet dat ook nog: de lul.
Winkelen met een vriendin jongens, hou erover op: praat me er niet van. Ik blik even terug in het verleden, puttend uit eigen ervaring zogezegd. Kijk even mee en herken?

Ik ben eigenlijk geen haar beter want ik kwam net terug met een nieuwe lading bloesjes en rokken voor mijn vriendin die gedeeltelijk, of misschien wel geheel ontkleed in het pashokje stond en er volgens haar in die hoedanigheid beslist niet uit kon komen.

Geïnstrueerd zoekend bij de dameskleding in rekken vol fel gekleurde bloesjes met bloemetjes motief pik ik er twee tussenuit. Verderop bij de rokken zoek ik mij een zwarte rok en een donker bruine; beide maat 40. Ik bekijk langs mijn been de roklengte; voor het idee. Een hoogblonde vrouw naast mij bevriest in haar beweging en kijkt mij met opgetrokken wenkbrauwen aan.
“Hier loop ik ’s nachts altijd mee buiten.” Fluister ik haar met opzij getrokken mond toe en zoek geduldig verder tot ik gevonden heb wat ik zocht.
Grommende- en stommelende geluiden vanuit het pashok bevestigen mijn angstige vermoeden dat vriendin niet gecharmeerd is van mijn keuze. Voordat het gordijntje openvliegt ren ik naar buiten en positioneer ik mij naast de ingang. Een andere man kijkt mij gnuivend aan.
“Met je vriendin aan de winkel?”
“Jij ook?” Reageer ik, en kijk naar enkele donkere wolken die overdrijven. Aan meer woorden hebben wij mannen eigenlijk geen behoefte. Wij begrijpen elkaar zo al.
Vrouwen zijn anders. Dat is onder andere te zien aan het gedrag als vriendin de winkel uit komt stormen. Met het gezicht op onweer beent ze rechtsaf het winkelcentrum in, mij als onbelangrijke factor achterlatend. Man en ik kijken elkaar wederom aan.
“Daar verkopen ze bier. Ga je mee een zuchie pakken?” Samen hangen wij ons aan de toog en gieten ons vol bier; meer om het verdriet te verdrinken. Geen vrouw of vriendin die ons mist, of zelfs maar op komt halen.

Na het zesde biertje vraag ik: “Hoe ben jij hier? Met de auto?”
“Ja.” Zegt hij: “Maar mijn vrouw rijdt.”
“Ik heb dezelfde fout gemaakt. Dus dat wordt lopen naar huis.” Zwijgend staren wij in de spiegel tegenover de toog. Wij nemen er nog één en tijdens het nuttigen van het zevende biertje opper ik: “Verderop aan de haven zit een goeie haringtent. Halen wij dat nog?”
Dat wij mannen weinig woorden nodig hebben blijkt uit dat er meteen werd afgerekend en wij naar buiten waggelden.
“Vroeger zat die tent toch links?” Vroegen wij ons af. Wij slaan rechtsaf! Ons ongeluk tegemoet. Maar daarover misschien een volgende keer.

©Prlwytskovsky.

Prlwyts en vrouwenkleding


In de paskamer waarnaast ik een spijkerbroek pas staat een vrouw die met een schrille snerpende stem vanachter het hermetisch gesloten gordijntje haar man er op uit stuurt om andere kleren voor haar te zoeken, en bij haar te brengen. Hij doet dat ook nog: de lul.
Winkelen met een vriendin jongens, hou erover op: praat me er niet van. Ik blik even terug in het verleden, puttend uit eigen ervaring zogezegd. Kijk even mee en herken?

Ik ben eigenlijk geen haar beter want ik kwam net terug met een nieuwe lading bloesjes en rokken voor mijn vriendin die gedeeltelijk, of misschien wel geheel ontkleed in het pashokje stond en er volgens haar in die hoedanigheid beslist niet uit kon komen.
Geïnstrueerd zoekend bij de dameskleding in rekken vol fel gekleurde bloesjes met bloemetjes motief pik ik er twee tussenuit. Verderop bij de rokken zoek ik mij een zwarte rok en een donker bruine; beide maat 40. Ik bekijk langs mijn been de roklengte; voor het idee. Een hoogblonde vrouw naast mij bevriest in haar beweging en kijkt mij met opgetrokken wenkbrauwen aan.
“Hier loop ik ’s nachts altijd mee buiten.” Fluister ik haar met opzij getrokken mond toe en zoek geduldig verder tot ik gevonden heb wat ik zocht.
Grommende- en stommelende geluiden vanuit het pashok bevestigen mijn angstige vermoeden dat vriendin niet gecharmeerd is van mijn keuze. Voordat het gordijntje openvliegt ren ik naar buiten en positioneer ik mij naast de ingang. Een andere man kijkt mij gnuivend aan.

“Met je vriendin aan de winkel?”
“Jij ook?” Reageer ik, en kijk naar enkele donkere wolken die overdrijven. Aan meer woorden hebben wij mannen eigenlijk geen behoefte. Wij begrijpen elkaar zo al. Vrouwen zijn anders. Dat is onder andere te zien aan het gedrag als vriendin de winkel uit komt stormen. Met het gezicht op onweer beent ze rechtsaf het winkelcentrum in, mij als onbelangrijke factor achterlatend. Man en ik kijken elkaar wederom aan.

“Daar verkopen ze bier. Ga je mee een zuchie pakken?” Samen hangen wij ons aan de toog en gieten ons vol bier; meer om het verdriet te verdrinken. Geen vrouw of vriendin die ons mist, of zelfs maar op komt halen.
Na het zesde biertje vraag ik: “Hoe ben jij hier? Met de auto?”
“Ja.” Zegt hij: “Maar mijn vrouw rijdt.”
“Ik heb dezelfde fout gemaakt. Dus dat wordt lopen naar huis.” Zwijgend staren wij in de spiegel tegenover de toog. Wij nemen er nog één en tijdens het nuttigen van het zevende biertje opper ik: “Verderop aan de haven zit een goeie haringtent. Halen wij dat nog?”
Dat wij mannen weinig woorden nodig hebben blijkt uit dat er meteen werd afgerekend en wij naar buiten waggelden.
“Vroeger zat die tent toch links?” Vroegen wij ons af. Wij slaan rechtsaf! Ons ongeluk tegemoet. Maar daarover misschien een volgende keer.

©Prlwytskovsky.

Open maar niet geopend



Vanmorgen langs een niet geopende supermarkt gelopen die wel open is maar nog niet geopend. Al het licht brandt, personeel loopt rond, vakken zijn vol en dan niet geopend zijn terwijl je als winkel wel open bent. Confused? Leg dit dan maar eens uit aan mijn buurvrouw die ik uitgerekend daar tegenkom.

“Wat bedoel je?” Kijkt zij mij vragend aan, terwijl ik mijzelf afvraag waar ik aan begonnen ben.
“Ze zijn open maar eigenlijk ook weer niet. Dat komt omdat ze nog niet geopend zijn, maar wel al open. Snap je?”
Buurvrouw haalt diep adem en valt naar mij uit dat ik niet zo dom moet lullen op deze mooie ochtend.
“Heb jij je pilletje nog niet gehad soms?” Foetert ze.
Vriendelijk als ik ben sla ik mijn arm om buufje heen, draai haar een halve slag, wijs met mijn andere arm en zeg: “kijk …. spandoek!! Daar staat toch op dat ze pas de 14e open gaan en vandaag is het de …… 12e! Juist buufje, heel goed. Dus ze zijn wel degelijk open maar eigenlijk ook weer niet!”
Ik wens haar een fijne dag en laat haar ontredderd achter.

Bij de bakker ren ik naar binnen en wil twee slagroom tompoezen hebben. Hebben ze niet! Wel van die gele puddingdingen maar die moet ik niet. Dus rechtsomkeert de zaak weer uit.

Dan door naar de bloemenwinkel waar een vriendelijk ogend en proportioneel goed in elkaar gezette winkelierster vraagt of ze mij kan helpen. Ondertussen neem ik haar goed in mij op en constateer dat zij de leeftijd reeds is gepasseerd dat zij nog op uitbotten kan rekenen maar gezien haar volume zal zij daar niet rouwig om zijn.
“Een flacon plantenvoeding.” Vraag ik.
“Hebben we niet! Eind van de week weer.” Zegt ze met een spijtige glimlach die haar nog aantrekkelijker maakt.

De visvrouw ziet mij lopen en zwaait naar mij. Ik zwaai terug. Laat ik haar maar eens met een bezoek vereren en mij een makreel aanschaffen. Alsof de vis nog leeft, zo voorzichtig wordt hij ingepakt.
“Is ‘tie wel dood?” Infomeer ik mogelijk ten overvloede en beseffend dat ik misschien iets raars vraag.
“Drie euro vijftig.” Zegt ze stoïcijns en houdt haar hand op om mijn geld aan te pakken. Met een knipoog geeft zij het wisselgeld terug.

Ik steek schuin over en loop de wenskaart annex snoepwinkel in.
“Kan ik hier pinnen?” Vraag ik aan de dame achter de toonbank.
“Ja hoor.” Zegt ze en wijst mij het pinapparaat.
“Dank je.” Zeg ik en loop zonder omkijken de winkel weer uit.

Tot zover dan een willekeurige ochtend waarbij Prlwiets dingen wil kopen die er niet zijn, een buurvrouw tegenkomt die het niet begrijpt, een bloemenvrouw die het aankijken waard is en vervolgens met lege handen huiswaarts keert. Dat moet ik vaker doen. Het houdt je geld in de knip.

©Prlwytskovsky.

Knisperend grindpad



Vroeger, toen ik nog een jong Prlwytskovsky’tje was verplaatste ik mij op een fiets. Leeftijd gerelateerd heb ik vervolgens uiteenlopend van een kinderwagen tot een Fiat 500 en alle tussenliggende mogelijke voertuigen bereden dus wieltjes heb ik eigenlijk altijd gehad!

In mijn jonge jaren bijvoorbeeld, probeerde ik al fietsend vriendinnetjes te veroveren. Een uitdaging die destijds succesvol te noemen was; naar de toenmalige maatstaven gemeten. Meestal gingen wij dan het park in en speelden daar doktertje waarbij ik dan de doktersrol op mij nam en vriendin zich schikte in de rol van patiënt. Er moest immers altijd iemand door de dokter onderzocht worden, nietwaar?

Plotseling hoorde wij het grindpad knisperen alsof er iemand van een fiets afstapt. Net toen ik wilde opstaan hoorde ik de stem van de wijkagent.
“Jongelui,” zei hij, “ik ben ook jong geweest dus ik veroordeel het niet, maar wat als er kleine kinderen langskomen en die zien jullie bezig met jullie liefdesspel?”

Geen man van schunnige woorden dus.

“We doen toch niks.” Zei ik. Mijn vriendinnetje zweeg. Vriendinnetjes denken er alleen maar aan hoe zij erbij liggen in een dergelijke situatie.
“Jullie lagen natuurlijk wel op elkaar.” Zei de agent.
“Wij hebben onze kleren aan en we doen niks.” Probeerde ik nog.
Na een korte stilte zei de agent: “Dat is waar, maar jullie maakten bewegingen en daar gaat het nu om.”
“Wat voor bewegingen agent?” Vroeg ik.
“Bewegingen van het liefdesspel. Er kunnen kleine kinderen langskomen en wat moeten die er dan niet van denken?”
“Dat we kunstmatige ademhaling doen.” Antwoordde ik lachend.
“Even serieus nu.” Zei de agent streng: “Wij kunnen dit natuurlijk niet hebben in het open veld.”
“Wat niet?” Vroeg ik: “Mijn kleren aanhouden?”
“En nou opgedonderd hier,” brulde oom agent, “rrrapido!” En in rap tempo fietsten wij er vandoor.

Eenmaal over het bruggetje en op veilige afstand keken wij om. Oom agent was op het bankje gaan zitten en tevreden keek hij naar de spelende kinderen die in de speeltuin aan het wippen waren.

©Prlwytskovsky.

Aandrang en appeltaart

Tags

, ,


Iedereen heeft wel eens last van aandrang op momenten dat het je niet echt uitkomt. Bijvoorbeeld als er helemaal geen toilet in de buurt is of als je haast hebt. Een dikke boom uitzoeken in een druk winkelcentrum is al helemaal geen optie. Maar wat dan wel?
Ik zie een klein zaakje waar mensen aan kleine tafeltjes een appelpunt eten of met een stuk kersenvlaai met slagroom verlekkerd de voorbijganger zijn ogen uitsteekt. Dit beeld verbond ik meteen aan een de mogelijke aanwezigheid van een toilet en daarom stapte ik kordaat naar binnen. Eerst keek ik speurend in het rond en zag achter in de zaak toiletdeuren dus ik kon mijzelf geruststellen en bestelde bij de serveerster koffie en een appelpunt met slagroom.
“Smijt maar neer.” Zeg ik. “Ga ik ondertussen even daarheen.” En wijs in de richting van de achterkant van de zaak. Zij knikt dat zij mij begrijpt.

De ingangen van de toiletten zijn gelardeerd met een soort poortwachters in de vorm van aan beide zijden geplaatste tafeltjes met bijbehorende etende en pratende mensen. Wist ik dit van tevoren dan had ik gisterenavond witte bonen met uien gegeten.
Als klein behuisd koffiezaakje moet je nu eenmaal effectief met de beschikbare ruimte omspringen, nietwaar? Een gekregen paard mag je niet in de bek kijken want in dit geval is er een toilet aanwezig en daar gaat het mij nu even om.
De deur van het toilet gaat naar binnen toe open en ik kom in een soort voorportaaltje met een wasbak en een spiegel. Ik probeer de deur achter mij dicht te krijgen maar dat past niet omdat ik klem sta tussen deur en wasbak. De tweede deur, die naar het toilet, slaat naar mij toe open maar de openstaande kier is niet ruim genoeg om mij door te laten. Ik zal terug naar buiten moeten om met een nieuwe strategie het toilet te bezoeken.
Verbaasd kijkend buitengekomen kijken de poortwachters mij meewarig aan maar gaan onverschrokken verder met hun gesprekken, de man in nood hopeloos aan zijn lot overlatend.

Ik open nogmaals de toegangsdeur, kijk naar binnen en overzie de situatie. Ik stap het vertrek in en trek de volgende deur helemaal open. Nu loop ik door, voorbij het wasbakje zelfs en trek de buitendeur achter mij dicht. Eindelijk sta ik oog in oog met de zo fel begeerde toiletpot en trek de deur achter mij dicht, duw het schuifje naar links en laat mijn opgekropte spanningen de vrije loop.
Maar nu? Ik zal ook weer terug moeten, naar buiten. Geruime tijd denk ik na hoe ik dit vraagstuk moet oplossen en wel in omgekeerde volgorde. Stap voor stap volg ik mijn gevoel en het lukt mij eindelijk de uitgang te vinden. Opgelucht stap ik op mijn tafeltje af waar de koffie met gebak al klaar staat.

Er loopt een man op de toiletdeur af. Nieuwsgierig kijk ik toe hoe dit afloopt. De buitendeur van het toilet wordt gesloten en ik hoor een hoop gestommel. Niet veel later komt de man weer naar buiten en kijkt hulpeloos om zich heen, je ziet hem wikken en wegen en een volgende poging wordt ondernomen. Wederom komt de man weer naar buiten en vraagt hierbij aan de poortwachters hoe één en ander in zijn werk gaat. De poortwachters zijn in dit geval dames dus die hebben geen ervaring met deze toegangsdeur en vertellen hem dit ook.

Mijn bordje is leeggelikt en ik ga afrekenen. Naast mij staat de man met de hoge nood en hij vraagt mij hoe ik dat heb opgelost om daar binnen te komen.
“Beste man.” Zeg ik. “De vraag is niet hoe je er binnenkomt maar eender hoe je er weer uitkomt.”
Als ik over zijn schouder kijk zie ik twee dames naar het andere toilet gaan. Hier zou je voor je lol de hele dag blijven zitten, maar dat is budgettair ondoenlijk.

©Prlwytskovsky.

Doperwtjes



Eten doe je altijd netjes met mes en vork En toch zijn er zaken die met blote handen gegeten mogen worden. Neem bijvoorbeeld een kip. Niet al te letterlijk natuurlijk maar neem een kip. Neem die je in de hand en kluif het vlees van het bot af. Vooropgesteld dat hij niet te heet is want dan gelden er weer andere wetten: je moet dan blazen en dat is dus volgens de actuele etiquette niet netjes. Maar het eten van doperwten daarentegen tergt het hele zenuwgestel van de disgenoot tot op het bot.

Kijk, ik bedoel dit: je zit heerlijk aan dat bord waar die kip op lag maar dat is ondertussen gevuld met gebakken aardappeltjes en doperwten. Zolang er nog materiaal op het bord ligt is er niets aan de hand maar de problemen beginnen pas als er nog maar één erwt op het bord ligt. Die ene erwt probeer ik op m’n vork te wippen maar hij rolt steeds weg. Op die manier schuif ik met mijn vork in allerlei rare bochten over het hele bord achter die erwt aan zonder dat ik hem te pakken krijg. Zelfs als ik er bewust in wil prikken krijg ik dat niet voor elkaar. Dan maar met m’n vingers, maar weer rolt dat kreng weg en inmiddels is de hele zaak bagger vet geworden zodat elke pakkans bij voorbaat al verkeken is.

Een goede vriendin adviseerde mij om de erwt, met de vork tegen het mes aan op te scheppen. Maar zelfs dat is nog niet zo eenvoudig als het lijkt want onderweg naar mijn mond rolt de erwt van m’n vork terug op het bord. Nu loop ik moreel en fysiek paars aan en ga over tot bruut geweld. Ik prak, tegen elke etiquette in, de erwt aan m’n vork en steek hem eindelijk in m’n mond.

Dankbaar en voldaan vraag ik mij na de dis af waarom doperwtjes niet vierkant zijn.

©Prlwytskovsky.

Lateraal omdenken


Wat eet een vegetarische kannibaal? De groenteboer!

Dat de gans van Nils Holgersson: Akka van Kebnekajse heet. En zijn hamster heet Kruimel.

Zoals Nietzsche ooit zei: Feiten zijn niets anders dan interpretaties.

Ongesteldheid is een echt kut probleem.

Er bestaat geen einde, maar wel altijd een nieuw begin.

Aan een junk vragen wat zijn doopnaam is.

Een vriend is iemand die je totale vrijheid geeft om jezelf te zijn.

Word nooit verliefd op een pyromaan. Voor je het weet sta je in vuur en vlam.

Als men een probleem heeft met jou, onthoudt dan dat het altijd hun probleem is.

Gezond verstand is als deodorant: degenen die het ‘t meest nodig hebben gebruiken het niet.

Een impotente man met een slaapzak.

Een mimespeler die schijndood is.

Een verkouden pyromaan die de rest aansteekt.

Een vrijgezel een single voor z’n verjaardag geven.

Tijdens een ballonvaart door de mand vallen.

Bij bungeejumping de knoop doorhakken.

Als je iets niet fijn vindt, verander het. Als je het niet kunt veranderen, verander dan de manier waarop je er naar kijkt.

Wat is rodeo sex? Je vriendin van achteren nemen. Zeggen dat je een ander hebt, en dan proberen 10 min te blijven zitten.

Alcohol is nooit het antwoord… Behalve als de vraag is: ‘Wat is C2H5OH?’

Wees aardig tegen mensen op je weg naar de top, want je kunt ze op de weg terug weer tegenkomen.

Wat is het toppunt van gemengde gevoelens? ….. Je schoonmoeder in je nieuwe BMW het ravijn in zien rijden.

Een psychotherapeut is iemand die de huur incasseert van het luchtkasteel dat jij bewoont.

Een man maakt de vrouw eerst het hof en daarna lijdt hij haar om de tuin.

Confucius: ‘Vertel het me en ik zal het vergeten. Laat het me doen en ik zal het begrijpen.’

Sporen in de sneeuw

Tags



Het was windstil en de zon stond aan een strakke blauwe lucht. Met mijn handen diep in mijn zakken voelde ik de vorst aan mijn oren knabbelen. Het heeft vannacht gesneeuwd en de hele omgeving is in een wit laken gehuld. Bomen, struiken, takken en muurtjes alles is bedekt met een witte hoed. Sneeuw geeft ook altijd zo’n bijzondere gedempte atmosfeer.
Op sommige plaatsen komt de sneeuw zelfs tot aan mijn knieën en bij elke stap hoor ik de sneeuw onder mijn laarsjes kraken. Op de hoek sta ik stil en luister ….: niet één geluid is er te horen, zelfs geen vogel. Witte strepen van vliegtuigen sieren de fel blauwe hemel en soms zie ik een glimp van het vliegtuig dat op grote hoogte geluidloos overvliegt en weerkaatst in het zonlicht.

Een buurman schuift met zijn handen de sneeuw van zijn auto en kijkt lachend naar mij. Met twee handen pakt hij sneeuw en maakt er een bal van die hij naar mij toe gooit. Gillend lachend ren ik weg maar kan de sneeuwbal niet ontlopen die in mijn nek uit elkaar spat.
Nadat ik was overgestoken kwam ik op de Vlaardingsedijk waar mijn vriendjes met hun sleeën vanaf gleden. Wij waren met zes en hadden maar twee sleeën. Bovenaan de dijk stapte ik op een slee op mijn buik liggend. Een klein zetje maar en dan met een rotgang van de dijk afglijden over het besneeuwde grindpaadje naar het grasveld voor de vijver om dan met een bloedgang het ijs op te glijden. Uitglijdend en balancerend loop ik terug naar de dijk waar een ander vriendje staat te wachten om naar beneden te glijden. Aan de overkant staat onze school en ik zie mijn klaslokaal. Daarboven de tweede van links, dat is mijn derde klas. Naast de school staat de kerk en de klok wijst kwart over vijf aan. Snel moet ik naar huis want om half zes komt mijn vader thuis en gaan wij eten.

Het is avond en ik kom laat huis van mijn werk. De straat is egaal glad dicht gesneeuwd en heel even moet ik terug denken aan vroeger, als kind in de sneeuw. Ik blijf voor de voordeur staan en kijk over de stoep naar de witte sneeuwdeken; ik luister naar de gedempte geluiden. Op de parkeerplaats zie ik voetsporen van een kat die tussen de geparkeerde auto’s doorlopen. Het is al bijna middernacht en ik ga snel naar binnen; scheren en een warme douche en dan lekker naar bed.

Ik zal net zijn ingedommeld toen er met een ring hard op het raam werd getikt. Helemaal de beroerte geschrokken stond ik op, deed het gordijn open en keek naar buiten maar ik zag niets en niemand. Ik trok een lange jas aan, deed de voordeur open en keek naar de sneeuw. Egaal glad lag het sneeuwdek voor het raam zonder één voetspoor. Verbaasd en niet begrijpend sloot ik de deur en ging terug naar bed maar kon de slaap niet vatten.

In die zelfde week overleed mijn vader.

©Prlwytskovsky.