Vrouwen blijven een mysterie


Je herkent het vast wel, dat afspraakje met een onbekende vrouw; een blind date. Een date waar ik alleen mee geschreven heb in een chatbox; meer niet. Dus geen idee wie zij is of hoe zij er in het echt uit ziet. Want laten wij wel zijn: je kan nu wel schrijven dat je maatje 38 hebt maar ondertussen wel 150 kilo wegen. Uitkijken geblazen dus.
Te vroeg voor de afspraak smijt ik mijn voertuig in een parkeervak op een terrein waar zij haar voorkeur voor uitsprak. Nog meer uitkijken dus. Ik sluip onopvallend tussen andere auto’s door om mij een stuk verderop te positioneren en wacht af op de dingen die komen gaan.

Een klein wagentje zoals zij mij omschreven heeft draait de parking op. Het hoofd achter het zijraampje is groter dan het raam zelf, dus dat beloofd wat. Zij stapt uit, gooit het portier dicht en sluit af. Zoals zij eruit ziet en hoe zij zich voortbeweegt valt zij bij mij niet in de categorie “Dame”. Dat is het eerste min puntje. ’s Jezus, wat een paard.
Ik loop op haar af en roep haar naam. Misschien speelt zij nu ook toneel net als ik. Verbaasd kijkt zij om en komt met uitgestrekte armen op mij af. De knuffel die ik van haar krijg perst het laatste beetje lucht uit mijn longen.
Wij nemen plaats in het lokale etablissement en vangen aan met koffie. Zonder taart want die zit al tegenover mij.
Terloops neem ik haar op en vel mijn oordeel over haar; dat zij haar best doet ten spijt. Maar nee, dit is niks voor mij. Zij trekt haar jas uit en meteen zie ik een grote tatoeage op haar onderarm. Dat is haar derde min punt. Het tweede min punt is namelijk dat ze er fysiek en qua outfit niet uitziet.

Kijk, ik vind dit nu altijd moeilijk om mee om te gaan, met zo’n situatie. Ik bedoel: sta ik op en loop meteen via de achterdeur weg? Nee! Want ik wil ook niet dat men dat bij mij doet, maar wat moet ik dan verzinnen om hier snel een einde aan te maken? Ik denk na terwijl zij door kwekt over het leven in het algemeen en dat van haar en van mij in het bijzonder. Dan ineens vraagt zij wat ik van vrouwen in het algemeen vind en uiteraard van haar. Want daar gaat het haar uiteindelijk om.
“Mwah ik hou wel van een mollige vrouw met rood haar.”
“Mollig … Mollig”? Kakelt zij met overslaande stem. “Ga je lekker? En rood haar heb ik al helemaal niet, dit is blond haar. BLOND!” Wijzend op haar hoofdtooi geeft zij mij te verstaan dat zij beslist niet gecharmeerd is van mijn complimenteuze uitlatingen. Maar ach jongens: het had allemaal erger gekund.
“Nou ja kijk.” Zeg ik, “Misschien druk ik mij verkeerd uit want doorgaans denk ik iets genuanceerder over vrouwen. Wat ik eigenlijk bedoelde te zeggen is dat ik vlak ga voor vrouwen met van die aangeschroefde handjes en armpjes. Begrijp je?”
Ze staat op, trekt haar jas aan en briest nog een enkele valse opmerking in mijn richting. Op de parking zie ik haar met haar charmante landmeters-pas voorbij lopen. Eins-Zwei-Eins-Zwei ….
Ik kijk de andere kant op en zie de serveerster aan komen lopen.

“Doe mij maar eens een lekker tap biertje.” Zeg ik lachend.
“Hahaha …” Lacht ze. “Is ze nu kwaad?“
“Zal mij een worst zijn.” Antwoord ik.
“Worst heeft zij al genoeg gehad.” Gniffelt het serveerstertje. “Die zit hier een paar keer per week met elke keer een ander.”
Ik bekijk de serveerster aandachtig van top tot teen en denk er het mijne van. Daar zou ik best vier weken ruzie voor over hebben.
“Kun je het zien?” Vraagt ze? “Jij bent net als die anderen, ik dacht even dat u een heer was maar nee.”
“Ik? Een heer? Maar dat ben jij ook niet zo te zien.”

Vrouwen zijn vandaag niet aan mij besteed. Het zit mij niet mee. Ik reken af en scheur terug naar huis. Met een ferme borrel in de hand evalueer ik deze dag.

Vrouwen zullen altijd wel een mysterie blijven.

©Prlwytskovsky.

Het Paaspark


Zomaar een eerste Paaszondag in 2021. Het park onderaan onze Z-flats ligt er verlaten bij. Niemand die een hond uitlaat, die zich afbeult op de trimbaan of aan het joggen is. Het grasveld ligt er uitnodigend bij maar wordt niet gebruikt door spelende kinderen met wakende moeders op bankjes die hun kroost in de gaten behoren te houden.

Een eenzame wandelaar loopt over de kronkelende paadjes en kijkt naar de bedden met narcissen die zich kleurrijk in de richting van de zon buigen. Een klimop leeft zich uit in frisse groene kleuren terwijl zijn gastheer er nog treurig en kaal bijstaat. Een boom neigt naar omvallen nadat hij door de laatste storm is scheef geduwd maar hij houdt zich met zijn wortels kranig vast. De speeltuin en de zandbak liggen er verlaten bij. Door de zachte wind beweegt de schommel traag heen en weer.

De wandelaar kijkt langs de balkons en ziet niemand buiten zitten terwijl het toch al rond het middaguur is. Lege stoelen met een enkele tafel staan hier en daar buiten, dat wel. Maar niemand laat zich op deze bewolkte Paasdag op dergelijk uitnodigend meubilair zien. Je bent rijk als je zelf zo’n terrasbalkon hebt maar mensen beseffen hun eigen rijkdommen niet zoals gezondheid en je eigen privé terras. En dat, terwijl men voorstanders is dat de terrassen in de stad snel open ‘moeten’ ontgaat hun het bezit van een eigen terras. Komt dat voort uit luiheid omdat je op je eigen terras jezelf moet bedienen?

Zomaar een lentedag, op de eerste Paaszondag in april. Een wijk vol flats en een verlaten park met een eenzame wandelaar. De wandelaar kuiert verder en blijft op het bruggetje staan. In het water ziet hij een karper langzaam onder hem doorzwemmen. Vogels zijn druk met het bouwen van nesten; een reiger staat langs de waterkant te gluren of er niet een smakelijke kikker voorbij wipt.

De wandelaar loopt om de flat heen naar de parkeerplaats van een klein winkelcentrum. Van alle kanten lijkt ineens het lawaai op hem af te komen. Een man zit in zijn auto met alle ramen en deuren wijdt open en heeft daarbij zijn autoradio hard aanstaan. Auto’s rijden door de straat en de bestuurders vinden dat ze eerst hard moeten optrekken om dan met gillende banden te stoppen, zo nutteloos lijkt dit. Rondhangende knullen brullen om het hardst in een vreemde taal. Reigers en vogels zijn aan deze kant niet te vinden.

De wandelaar aanschouwt het tafereel en loopt terug naar de achterkant van de flat, terug het park in. Op het moment dat hij om de hoek verdwijnt is het alsof hij in een andere dimensie stapt; terug in de oase van rust en stilte van de natuur.
Twee werelden zo dicht op elkaar, slechts gescheiden door een flat. Het lijkt wel of mensen het genieten in- en van de natuur verleerd zijn terwijl de natuur toch de bakermat van ons bestaan is.

©Prlwytskovsky.

Managers


Jaren geleden toen ik mijn tante met mijn wekelijkse bezoek ging vereren passeerde ik Driebergen en viel mijn oog op een gebouw dat mij nog niet eerder was opgevallen. Een voor dit landschap niet passend schreeuwend uitsteeksel. Een reclamebord schreeuwde de letters M.O.C. van het dak in kleuren waarvan de mensheid vlekken voor z’n ogen krijgt.  In kleine lettertjes stond eronder wat het betekende: “Managers Opleiding Centrum.”

Managers. Het lijkt op een zomergriepje alleen dit gaat niet over. Dus hier worden de Managers gemaakt, gecreëerd, geboetseerd of voor mijn part geboren. Managers, een apart volk, randfiguren. Zij onderscheiden zich in de massa door hun afwijkende gedrag. Een manager is als volgt te herkennen: zij hebben bijvoorkeur X-benen en sommige verdenk ik er zelfs van dat zij hun benen speciaal laten breken om ze vervolgens in een X-vorm te laten plaatsen. Hebben zij desondanks geen X-benen dan dient u hen met gepaste achterdocht te benaderen. Wees dus gewaarschuwd.
Onder hun broekspijpen van het kaliber waar men doorgaans met twee benen in kan steekt iets uit dat voeten voorstellen. Naar mijn mening lopen zij in veel te krappe schoenen en dat verklaart meteen dat merkwaardige loopje van ze.

Die linker hand in hun broekzak is ook zo’n aangeboren afwijking die bij mij de indruk wekt alsof zij daar iets moeten vasthouden, hun pieper waarschijnlijk. Komen ze uit hun geleaste automobiel dan wordt direct het colbert dichtgeknoopt, met de rechterhand het haar naar links gemodelleerd en dat handje in die linker broekzak gestopt.

Staan ze van achter hun bureau op dan gaat direct weer dat handje in die broekzak. Het haar in een strak kapsel achterover gekamd en bij sommige met een scheiding in het midden waarbij het haar naar opzij wegvalt; crisis hoofdjes uit de jaren dertig zijn het. Met een eigen gemaakte nonchalance lopen zij door hun kantoor; dit is echter om snelheid te suggereren want er zit verder geen beweging in. Die hele performance van Managers suggereert snelheid. Hun wenkbrauwen staan in een positie die hun een permanente verbaasde blik bezorgt en voor hun ogen staat een set voorzetramen met een licht getinte kleur. Het montuur van hun brillen is meestal dun en goudkleurig, dat deze brillen van gewoon vensterglas zijn is een goed bewaard geheim dat ik u bij wijze van uitzondering wil onthullen want in onbewaakte ogenblikken lezen zij documenten stiekem zonder bril. Echter als ik iets wil laten lezen dan zijn ze plots hun bril vergeten. Zo’n bril staat dan op een zongebruinde kop, ook zoiets. Het jaargetijde is voor de manager niet relevant om eruit te zien alsof ze dagen achtereen aan het strand zitten. Dit onder andere typeert hun drukke bestaan.

Goedlachs en overmatig vrolijk zijn ook van die factoren die eruit springen. Regen, mist of faillissement: de Manager lacht!  Hij heeft altijd vrolijke opbeurende praatjes klaar. Als u vandaag uw broer ter aarde heeft bestelt pept hij u op met de woorden:  “Jij leeft toch nog, positief denken man.” Gevolgd door een luide schaterlach. Een andere eigenaardigheid is het lopen in een lange regenjas. Het verschijnsel gladde-jongens-met-regenjassen is inherent aan potloodventers die kinderen mee de bosjes inlokken tegen vergoeding van een reep hazelnoot chocolade die overigens weer ‘aftrekbaar’ is.

Hun werkomgeving echter is gelardeerd met mooie secretaressen; blondines met lang haar en mooie grote ogen waar je aan vastgenageld blijft. En als bonus ter compensatie van lange regenjassen lopen zij er af en toe kort gerokt bij. Aan de telefoon zijn deze dames vriendelijk van spraak. Je zou wensen dat zij nooit de hoorn erop legden. Koffie maken is een daad die alleen zij tot een rituele volkskunst hebben verheven met de aanwezige inferieure en behoeftige apparatuur. Een secretaresse is nooit kwaad of stresserig en toont geen enkele emotie en daar loopt een Manager, blind voor zijn zakelijke coryfee, met zijn lange regenjas zwaaiend omheen.

Verder zijn het verwoede verzamelaars van hebbedingetjes en deze hebbedingetjes zijn vooral in veelvoud aanwezig maar volkomen a-functioneel. Ook hier is de atmosfeer bezwangerd van duur en veel maar vooral van macht.

Aan deze opsomming van hebbedingetjes zou ik een vuilniszak willen toevoegen. Niet bij wijze van ruim bemeten voorbehoedsmiddel maar om deze ten tijde van slagregens over het hoofd te kunnen trekken.

Als omstander denk ik bij het zien hiervan: Vuilnisman, kan deze zak ook mee?”

©Prlwytskovsky.

Writersblock



Dat je dus niet meer weet wat je moet schrijven en dat je dus klem zit in de wereld tussen fantasie en realiteit, tussen echt en onecht maar ondertussen wel de dagelijkse dingen probeert op orde te houden. Dat dus!
Dagelijkse dingen zoals boodschappen en dan voornamelijk vreterij dingen want een mens moet toch wat om te overleven. Nietwaar?

Op weg naar de buurtsuper en iedereen die ik tegen kom, bekend of onbekend, loopt met een muilkorf op. In onze ongure straten en donkere stegen, maar vooral in winkels zoals bijvoorbeeld mijn buurtsuper zijn ze grote getale waarneembaar. Om zich heen kijkend of ze wel goed gezien worden smeren zij opzichtig hun handen in met een of andere ondefinieerbare teringzooi en vegen daarbij overdreven het winkelwagentje schoon op een manier dat de toeschouwer denkt dat er misschien wel de vliegende tenenschurft op zit. Poetsen alsof er bijtgrage schaamluis op de handgrepen zit is het decreet vandaag de dag. Maar daarmee wel in de ondertussentijd andere buurtsuperbezoekers onnodig ophouden en hun de doorgang naar de vreet rekken daarmee belemmeren.

Maar waartegen of waartoe leidt deze handensmeersel ceremonie? Blijven ze daarmee verstoken van schaamluis of andere vinerische ziektes? Wie het weet mag het zeggen. Angstig kijkend lopen mensen aan elkaar voorbij en zwaaien uit noodzaak naar elkaar omdat zij elkaar denken te herkennen maar praten is er niet meer bij. Het hele sociale netwerk decimeert naar de bak met smeersels.

Ingedeukte blikjes zie ik in het rek en dus roep ik de vakkenvuller erbij maar als hij ziet wat ik bedoel rent hij weg, hard weg van mij en vooral dat hij maar géén antwoord hoef te geven. Bij de vleeswaren pak ik een pakje ham uit de koeling en lees op het etiket dat de houdbaarheidsdatum tot de 17e is. Ik denk na en daar gaat toch geruime tijd mee heen op mijn leeftijd.
Maar verrek: maar vandaag is het toch de 17e? Dus ik wenk vriendelijk naar de slagersvrouw maar die rent ook al hard weg als zij mij ziet wenken. Ligt dat nu aan mijn voorkomen of is er meer aan de hand in dit ondermaanse? Ik heb geloof ik mijn dag niet vandaag.

Eigenlijk zeg ik hier dus niets nieuws mee want iedereen herkent dit wel alszodanig in hun eigen biotoop. Maar toch lijkt het soms wel als of je dood bent als je zo om je heen kijkt. Bij sommige mensen dan hé maar vooral bij winkelpersoneel. Ik bedoel hoe die ‘niet’ reageren op je kwalitatieve- en opbouwende wenken om nog maar te zwijgen over klantonvriendelijkheid.

Maar weet dat als je dood bent dat je niet weet dat je dood bent. Dat is alleen pijnlijk voor anderen. Hetzelfde geldt voor als je gek bent. Dus ik doe het er maar mee vandaag. En wat ik al eerder zei: ik zou niet weten wat ik vandaag zou moeten schrijven op mijn blog.

Heb ik nu echt een writersblock?

©Prlwytskovsky

>Een dooie



Zo’n dag dat je de douche in- en gewassen weer uitrend. Dan snel de lege sponde in duiken voor mijn welverdiende nachtrust. Zo’n dag dus.
Het zal tegen half twaalf zijn geweest dat de deurbel rinkelde en dat is een gek verschijnsel bij huize Prlwytskovsky. Een van mijn buurvrouwen staat peu-nerveu te trappelen voor mijn deur en begint gelijk met: “Peet je weet toch dat buurman op sterven lag?”
“Ja” zei ik, “en nou izzie dood?”
“Nee z…”
“Ohw hij is zelfs niet ziek meer?”
“Nee zij….”
“Hij gaat verhuizen?” Draafde ik door.
“Luister nou effe en onderbreek me niet telkens.” Blafte zij waarbij zij de verschijnselen van een ADHD tuffer ging vertonen.
“Nee zijn vrouw is plotseling gestorven en nu hebben ze hem zojuist weggehaald. Dat wilde ik je even vertellen, vandaar.”
“Heel fijn buurvrouw dat u op dit uur nog even langskomt om mij hierover te informeren. Ik hoor wel hoe het allemaal afloopt maar ik ga nu naar bed als u het niet erg vind.” Ik sloot de deur en begaf mij ter rustte.

De andere avond werd er weer gebeld maar nu op een beschaafder tijdstip namelijk half negen. Buurvrouw stond met een heel spijtige blik in haar ogen naar mij te kijken en zei: “Peet, ik had het helemaal verkeerd want buurvrouw is helemaal niet dood maar buurman zelf.”
“Ohw dus ze wilde haar nog niet hebben daarboven en nu hebben ze haar even omgeruild met buurman?” Grapte ik terug.
“Maarre hoe oud was hij dan?”
“88.”
“88? Nou buurvrouw als ik ooit 88 haal en op een ochtend wakker wordt om te ontdekken dat ik dood ben dan mag ik toch zeker niet klagen; dan is het beslist niet van mijn hoektanden dat ik overlijd. Ahahaaaaa ….”
“Oooeeeeeeee wat ben je toch een hork, ik heb spijt dat ik weer tegen je ben gaan praten.” Kreeg ik ze uitgemeten. Ze draaide zich om en dribbelde de galerij af om gaandeweg nog wat verwensingen te uiten die ik gelukkig niet hoorde.

“Dag buurvrouw. Bedankt voor het praten hé en alvast prettige paasdagen.” Riep ik haar op mijn vriendelijkst na.

©Prlwytskovsky.

Hororscopologie



Mijn horoscoop adviseert mij om mijn vrienden overdadig te gaan bezoeken. Aldaar zal ik dan nieuwe- en ook jongere vrienden ontmoeten. Maar wie zegt dat ik daar op zit te wachten? Ik bedoel: ik heb al genoeg aan mezelf op dit moment. De relatie met mijn partner is bijzonder goed lees ik verder; al moet ik meer naar haar/hem luisteren.
Weet dat ik op dit moment partnerloos ben en dan lees ik dit soort ontspoorde onzin. Nergens, in niet één horoscoop staat te lezen dat ik aan het klussen ben, of aan het behangen, witten of verven. Nergens! Dus wat is dan de toegevoegde waarde van een horoscoop??
Ik werk mij bijvoorbeeld vierkant over de rooie. Niet dat dit nou zo nodig moet hoor, maar ik zet mijzelf ertoe aan. Het behang bijvoorbeeld zit er pas twaalf jaar op, evenals de witkalk en de verf. Het zag er immers allemaal nog perfect uit. Totdat ik de eerste streek witkalk op het plafond smeer. Verbaasd kijk ik naar het verschil tussen nieuw en oud. Dat doe ik vaker maar dat heeft met witkalk nu even niets te maken.

De moed erin gekregen smeer ik er lustig op los. De ene baan na de andere krijgt een gedoseerde streek witkalk toebedeeld. Overmoedig geworden, doordat ik ervaring krijg om de roller in te dopen en deze vervolgens zonder morsen naar het plafond te brengen, stap ik van het trapje af. Aan de verkeerde kant namelijk: met één poot in de bak witkalk.
Wel gloeiende-gloeiende …… Afijn ik zal je de rest van mijn uitdrukkingsvaardigheid besparen. Maar met recht kan ik nu spreken van: Een wit voetje gehaald. Afijn … Na het gehele plafond te hebben ingesmeerd ziet het er vervolgens niet uit. Natuurlijk niet. Morgen de zaak nogmaals beoordelen..

Volgens mijn horoscoop geniet ik nu met volle teugen van mijn vrije tijd.

©Prlwytskovsky.

Relatieleed


Met haar amandelvormige ogen en gitzwarte haren golvend tot over haar schouders, met een figuur als een zandloper, zie ik haar voor het terras staan. Gebiologeerd bekijk ik haar en bedenk een stemgeluid waarmee zij tegen mij zou kunnen praten, hoe zij zou ruiken, zou lachen; of hoe zacht zij zou aanvoelen als ik haar aanraak.

Zij loopt het terras op en neemt tegenover mij plaats aan een tafeltje in de zon. Uit haar tas haalt zij een spiegeltje en een borstel en begint haar lange golvende zwarte haren te borstelen. Zij bekijkt zichzelf in haar spiegeltje en met een tissue dept zij haar ogen. Ze kleurt haar lippen en stopt alles weer terug in haar tas.
Een Spa rood wordt voor haar neergezet en zij slaat haar ranke benen over elkaar. Van links naar rechts kijkt zij het pad af alsof zij iemand verwacht. Ze graait in haar tas en legt een pakje sigaretten op tafel maar steek er geen op. Haar ogen dwalen over het terras en ontmoeten mijn ogen waar ze heel even aan blijven hangen maar dan kijkt zij verder, overduidelijk op zoek naar iemand.

Er komt een man het terras oplopen en hij gaat direct naast haar zitten. Hij slaat zijn arm om haar heen en na een overweldigende zoen begint hij tegen haar te praten. Zij duwt hem van zich af en neemt het gesprek over. Het lijkt wel of zij hem terecht wijst. Wilde gebaren en vuurspuwende ogen hebben tot gevolg dat zij opstaat en haar spullen in haar tas doet. Zonder verder nog iets te zeggen loopt zij weg, de man sprakeloos achterlatend.
Ik reken af en loop haar uit nieuwsgierigheid achterna. Zij loopt de brug over en slaat linksaf. Bij de fietsenstalling blijft zij staan en kijkt om zich heen. Ze steekt nu wel een sigaret op en blaast de rook uit haar rechter mondhoek naar omhoog. Ongeduldig kijkt zij om zich heen en tipt de as van haar sigaret.

Een andere man loopt recht op haar af. Als zij hem ziet gooit zij meteen haar sigaret weg en rent op hem af. Armen die om lichamen klemmen, monden die zich aan elkaar vastzuigen en toeschouwers die, geraakt door dit moment, applaudisseren.

Verderop staat de man van het terras. Hij bekijkt zich het gebeuren en draait zich om. Met zijn handen diep in zijn zakken en het hoofd voorover gebogen loopt hij weg van dit tafereel.

©Prlwytskovsky.

Marja


Hand in hand liepen wij door het laantje. Aan de linkerkant waren bosjes met daarachter een vijver en daarachter de Schiedamse begraafplaats. Aan de rechterkant kabbelde de Schiedamse poldervaart. Voorheen een vaart die van de rivier de Maas via de ‘Vijfsluizen’ naar de Schie liep, maar dat tegenwoordig een stilstaand water is. Net voor die vijfsluizen stond nog het gebouw van het stoomgemaal dat het waterpeil in de polders moest regelen.
Het was een lome zomerse dag in 1965. Zij liep in haar wijd uitlopende jurk naast mij en hield mijn hand vast. Het was voor het eerst dat wij hand in hand liepen want wij kenden elkaar nog maar net. Tijdens het lopen keek ik stiekem naar haar en gluurde naar het profiel van haar gezicht, en naar haar borstjes die zachtjes wiegden op de maat van haar parmantige pasjes.

Het pad maakte een grote lus en in die lus was destijds een roeibotenverhuur gevestigd. Ik huurde daar een roeibootje en peddelde met haar de poldervaart op langs de Babbersmolen. Het wateroppervlak lag er gladgestreken bij en de zon brandde aan de hemel. Ik liet het bootje rustig dobberen. Zij lag daar languit met haar handen op haar buik gevouwen en haar ogen gesloten. En wat was ze mooi met haar ravenzwarte haar, met haar roomblanke huid en haar ranke verschijning. Ze opende haar donkerblauwe ogen in spleetjes en vroeg waarom ik niet verder roeide. Dat maakt herrie zei ik, dan maak ik je misschien wakker. Ze glimlachte en sloot haar ogen weer.

Één uur kon je dat bootje huren, dus moest ik snel terugroeien naar het eilandje van de botenverhuur. Met moeite kreeg ik haar wakker en ik hielp haar de kant op. Op het terras van de botenverhuur dronken wij een glaasje sinas. Zij praatte honderduit en lachte zo mooi en vooral aantrekkelijk. Zij keek mij aan met haar donkerblauwe ogen, Godsamme wat was ik verliefd aan het worden.

Aan het einde van de middag bracht ik haar naar huis en ik mocht binnenkomen. Samen zaten wij aan tafel en zij vertelde aan haar aanwezige oma over onze middag. Maar na Peyton-Place moest ik naar huis zei ze. Ik keek haar aan, hoorde haar praten en zag haar bewegen. Als ze lachte dan kirde ze zelfs. In de gang kreeg ik mijn eerste welgemeende knuffel en ik hield haar stevig vast. Wat had ik haar graag in mijn zak gestoken en meegenomen in mijn verdere leven maar het lot besliste anders over ons.
Ik sloot mijn ogen en droomde terug naar onze jeugd, naar ons bootjes avontuur op die zomerse dag in 1965. Ik zag haar weer liggen in dat bootje, met haar handen op haar buik gevouwen.

Marja, wat heb je mij een mooie herinnering nagelaten.

©Prlwytskovsky.

Valentijn recept


Benodigdheden:
Één grote maiskip,
Drie flessen rode wijn,
Spekreepjes,
Fles olijfolie,
Zout,
Peper.

De kip larderen en de binnenkant inwrijven met peper en zout.
De oven voorverwarmen op 180 graden.
Een longdrinkglas voor de helft vullen met wijn.
De wijn opdrinken tijdens het voorverwarmen van de oven.
De kip op een vuurvaste schotel leggen en een tweede glas wijn inschenken.
Het tweede glas wijn opdrinken en de kip in de oven zetten.

Na 20 minuten de oven op 200 graden zetten en 2 glave vulle met wijn.
De glave leegdlinken en de schelven van het eerste glav oplapen.
Nog een halv glav insjenken en leegdlinke.
Na een halv uur de oven opedoen om de kip te tsjekke.
Bfranzwondesjalf in de badkamel ganaale en op de bovekant van de linkerand doen.
Nog twee glaven wijn insjenke.
De ove opedoen nadat et eerste glav leeg is en de sjotel vastpakke.
De blandwondesalf op de binnekant van de regte hand doen.

Kip oprape. Kip nog es oprape en met ’n handdoek de bwandwondesalf van kip vege.
De hand onzvette mit wijn en de zalv oprape.
Ut kapotte glazz opvege en de khipf terug in de hove doen.
De khipf oprape en dove eers opedoen.
De tweede fjes fwijn opemake en ovejeind gaan zitte.
Opstjaan van de floer en et spekvet onde de kas vege.
Nogis opstjaan, en tochma blijve zitte.
De vlezz op de gjond zette.
Ui de vjes djinke wande de glave sjijn kabot gevalle.
De ove afsjette, de oge sljuite en omvalle.

©Prlwytskovsky.

Over sneeuw en het Wibautplein


Een koude winter was het in 1955. Het vroor niet alleen dat het kraakte maar ook de sneeuw lag tot aan onze knieën zo hoog. Na school buiten spelen en door de sneeuw rollen en gerold worden en bekogeld worden met sneeuwballen. Ook ingezeept worden. Ken je dat nog? Een grote geknede sneeuwbal door het gezicht van een ander wrijven. En dan door kou en tijdnood in mijn broek piesen op de hoek van het Wibautplein waar destijds de Co-op was gevestigd. En dan nog maar net het elektriciteitshuisje om de hoek halen om tegenaan te zeiken. Met ons vieren hadden wij 7-jarigen daar de grootste lol. Gele sporen in de sneeuw achter latend. Dat was toen ons vaste openbare toilet. Winterse nood breekt immers wetten, nietwaar?

Op de ijsbaan aan het einde van de Troelstralaan hoek Burgermeester van Haarenlaan naast de Spieringhoek flat, waar mijn vriendje Wim uit de mast viel en roerloos op de grond bleef liggen. Naar ons huis in de Talmalaan rennen en mijn moeder proberen te overtuigen van de ernst en Wim. Haar antwoord was: kijk daar komt Wimmie al, wat is er nu aan de hand?
Nooit hebben Wim en ik hier verder over gesproken. Als jongens van zeven jaar begrepen wij elkaar toen al.

En dan de bromnozemtijd. Knutselen aan onze brommers, op straat of in de kelders en er van alles mee uithalen. Zelf had ik een Batavus-Whippet, wit/goud kleur met zadeltassen. Die linkse ben ik dus.

Aan het einde van onze straat, de Sweelincksingel richting Churchillweg, was het nog een woestenij met bagger en hopen aarde waar je zo lekker door- en overheen kon scheuren. Totdat het noodlot toesloeg en mijn achter rembeugel losschoot waardoor de brommer meteen het anker uitgooide en ik gelanceerd werd. Brommer en ik lagen allebei op onze kantjes in de bagger.

Niet te vergeten ook die keer dat ik mijn brommer in de kelder wilde zetten. Je moest daarvoor je brommer in een speciaal daarvoor aangelegde gleuf naast de trap sturen en het trapje met acht treden afdalen, om onderaan meteen linksaf te slaan. En dan het moment dat de handremkabel brak en ik met brommer en al tegen de kelderdeur tegenover het trapje knalde en er pardoes doorheen ging. Met kwade buren die er niets van snapten tot gevolg.
Daarna kwam de periode dat ik ging autorijden. Maar daarover misschien een andere keer?

©Prlwytskovsky.