Slagersvrouwen



Het is druk bij mijn favoriete slagerij. De zaak staat bijna vol maar ik kan mij er nog net bij wurmen. Meteen na binnenkomst geef ik een ruk aan de nummertjesautomaat en trek er 8 nummertjes aan elkaar uit, dat was niet echt de bedoeling. Met mijn tas onder mijn arm sta ik te pielen om de rol terug te draaien als de slagersvrouw mij in de gaten krijgt.
“Laat maar.” Sist zij mij toe. “Komt vanzelf goed als er meerdere klanten komen.“
Zwetend en puffend gaat zij door met het helpen van haar klanten en probeert zo vriendelijk mogelijk tussen haar bedrijven door te antwoorden op vragen als: het is toch wel vers hè, of laat dat ene plakje er maar bij … nee doe toch maar niet. Aan haar gezicht zie ik dat zij het kookpunt nadert en niet veel meer nodig heeft.

Eindelijk ben ik dan aan de beurt en …. : “Kan ik je helpen”? Vraagt zij.
“347 gram BSE rundergehakt!”
“Hou op met die rot grappen want ik kan niet veel meer hebben.” Blaft zij mij bits toe.
“Ja mevrouw.” Zeg ik en probeer hierbij goedgemutst te kijken.
“Nou, een pond of een half pond, hoeveel wil je?”
“Doe maar 500 gram.”
Zij graait in de gehakt bak als een boer die in zijn gierput roert, smijt het vlees op een velletje plastic en weegt het gevraagde pond gehakt af.
“Anders nog iets? “Vraagt ze.
“Ja, van die beuling die je vorige week had, doe daar nog maar een stuk van.”
Ze vist een groot stuk uit de vitrine en toont mij vol trots het gevonden stuk, of ik dit goed genoeg vind. Ik zie haar hand de worst omklemmen en denk er het mijne van.
“Is die van vorige week?” Vraag ik.
“NEEE!” Bijt zij mij toe: “Dit is verse, van vandaag!”
“Ohw nou uuhhh, als je niets anders hebt doe die dan maar; ik ben immers de beroerdste niet.”

Er werd in mijn rug gepord door een vrouw die achter mij stond:” Je moet ze een beetje ontzien want ze staat er helemaal alleen voor zo je ziet.”
Dat zag ik ook wel maar ik dacht nu wel een potje te kunnen breken bij haar sinds onze laatste ontmoetingen, waarmee onze relatie ogenschijnlijk werd verbeterd. Bovendien dacht ik: nu sta ik ook eens zo te zeiken, zoals jullie altijd doen als ik haast heb.

“Anders nog iets?” Vraagt de slagersvrouw?
“Ja, pondje Leidse kaas graag.”
“Is het nou afgelopen?” Brult ze door de zaak. “Reken af en ga d’r uit want ik word stik zenuwachtig van je: sodemieter op!”
Ze ademde hierbij zo zwaar uit dat mijn briefje van 10 euro bijna als vanzelf van de toonbank waait. Als zij mij het wisselgeld teruggeeft hoorde ik haar roepen: “Wie kan ik helpen?”
Ze bekijkt mij niet meer en geeft geen krimp als ik de zaak verlaat en de aanwezige een prettige dag toe wens. Waar moet het naartoe met deze wereld.

©Prlwytskovsky.

Milieu en zo

Tags

, , ,



Is een milieu een tastbaar iets en zo nee waarom kost het dan geld? Laten we eerst even vaststellen wat een milieu is. Een milieu is een leefomgeving waar b.v. een roedel van allerlei soorten dieren één zijn met de natuur. Dat wij mensen als beesten bestempeld worden berust op louter toeval. In die leefgemeenschap groeit en bloeit van alles. Er is voldoende te eten en te drinken. Het is er beurtelings goed en slecht weer, nat en droog. Wat is hier mis mee? Niets toch? Ware het niet dat wij mensen, als enigste diersoort ter wereld, onze eigen biotoop aan het afbreken zijn. Neem die appelboom die in onze tuin staat en waar de lekkerste appeltjes aan groeien, daar halen we telkens wat te eten af en vervolgens zorgt die boom weer voor nieuwe appeltjes. Maar toen het winter werd hakten de mensen die boom om om hout te hebben voor de kachel. Hoe oliedom.

Het is een verschijnsel dat massaal wordt overgenomen. Ontbossing heet dat. De vloerbedekking in veel bossen is dan niet meer compact en gaat als gevolg van veel regen aan het schuiven en de wind neemt ook een groot deel mee. Erosie is een mooier woord daarvoor en een woestijn cultuur is geboren.
Dit is dus de Oude Wereld. Zelf leven wij in een nieuwe wereld en daarnaast heb je ook nog een derde wereld. Waarom men voor deze volgorde heeft gekozen is mij een raadsel. De oude wereld is interessant om z’n opgravingen en z’n geschiedenis. De derde wereld heeft honger én veel delfstoffen. De nieuwe wereld heeft ook honger maar dan naar delfstoffen en mineralen, liefst uit de derde wereld omdat dat daar zoveel goedkoper is. Wij dwingen die mensen als het ware om honger te blijven houden ten gunste van ons, van onze welvaart. Nu komen we waar we zijn moeten, bij ons milieu.

Ik schrijf dit eigenlijk veel te simpel op want in onze hoogmoed hebben wij mensen een welvaart gecreëerd die ons boven de pet groeit. De tol die wij moeten betalen om dit in de hand te houden is wel erg hoog. Rioolbelasting op het te lozen afvalwater met voedselresten die wij niet meer eten, opcenten op drinkwater waarvan de kwaliteit dusdanig te wensen overlaat dat de inname door de waterzuiveringen gestopt dient worden omdat niet alleen industrieën de rivieren vervuilen maar ook drugslozingen in het riool daar toe bijdragen. Heffing op afgewerkte motorolie, duurder verpakkingsmateriaal dat biologisch afbreekbaar moet zijn en dat duurdere verpakkingsmateriaal moet weer afgevoerd worden onder het mom van cradle to cradle en dat ook weer een prijs met zich mee draagt. Een prijs ja, omdat verpakkingsmateriaal en huisvuil als zodanig niet als ‘afval’ bestaat maar ondertussen wel geld kost. Dit zijn maar een paar voorbeelden van dwangsommen. Bedrijven kunnen niet zomaar hun afval meer lozen, dat moet gescheiden naar de juiste plaatsen worden gebracht en dat brengt ook weer kosten met zich mee.

Een multinational in de Botlek krijgt een vergunning met de boodschap dat hij de uitstoot van schadelijke gassen in het jaar des heren 2025 moet hebben teruggebracht tot 50 % van de huidige uitstoot. Hij geeft aan het jaarlijks trapsgewijs af te bouwen. Het lijkt mij een automobilist die 500-keer per jaar door het rode licht rijdt. De rechter oordeelt dat het daarmee afgelopen moet zijn omdat zoiets niet te tolereren valt in de huidige maatschappij. De automobilist antwoord dat het voor hem bijna onmogelijk is om er vanwege zijn tic direct mee te stoppen en stelt voor om de zaak af te bouwen. Elk volgend jaar zal hij 10-keer minder door het rode licht rijden. De rechter vond dit een prima regeling. Nu verklaar je mij waarschijnlijk voor gek. Maar met de voornoemde multinational gaat het toch niet anders? Naar het zich laat aanzien wordt het alleen maar erger. Want, naar ik mij heb laten wijsmaken, verdubbeld de wereldbevolking zich de komende veertig jaar. Een verdubbeling, dat zou ongeveer “tachtig-miljoen” mensen betekenen. Dan heb ik het even niet over hoe het er na tachtig jaar uitziet.

Het risico met onze milieubepalingen is dat veel, zo niet alle invloedrijke bedrijven naar een locatie in de derde wereld lonken. Ik schets nu even het walhalla van de derde wereld hè. Als bedrijf is het daar het land van de onbegrensde mogelijkheden. Uitstoot van CFK’s? PCB’s in het water? Zware metalen in de grond? Ontbossing, Erosie? Ben je gek man: moet je ruim zien! Alles kun je daar zo maar en zonder kosten weg donderen. Er is niemand die je iets in de weg legt. Alles kan daar. Te gek gewoon. Met economie als steekwoord want daar gaat het uiteindelijk om.
Eindelijk kan iedereen daar een autootje kopen; rijden maar jongens. Productiebedrijven gaan als gekken produceren. Ze maken zelfs overproductie want je mocht je handen eens op een lege plek slaan. Wij westerlingen steken toch nog voorzichtig een waarschuwende vinger op. Het antwoord uit de derde wereld is ook iets dat wij hun geleerd hebben. Wij hebben altijd honger en armoede gekend, en nu het eindelijk goed met ons gaat komen jullie ons vertellen dat wij geen auto mogen rijden? Dat we om ons milieu moeten denken en voorzichtig moeten zijn met wat we doen? Kijken jullie eerst eens naar je zelf. Jullie misgunnen ons deze welvaart die ten kostte van die van jullie gaat!

Want daar zal de schoen wringen, he, westerling? Het is weer een verschuiving zoals die plaatsvond in de verre oudheid en die zich herhaalt. Alles recycled zich op den duur zelf. Het zal zich nog vele malen herhalen in de komende duizenden jaren. Wij leren echter niet. Al gaat de hele wereld naar de klote er is niemand die het boetekleed aantrekt en het erosietapijt rechttrekt. Altijd is het de schuld van iets of iemand anders. Ga maar gerust door op deze manier. Een blind paard kan zien dat wij op een vreselijke grote ecologische ramp afstormen. Een milieu ramp die zijn weerga niet kent.
Wij moeten niet zo veel ouwehoeren want er moet iets concreets gedaan worden. Dan beginnen mensen te praten over kosten! Wij vermoorden ondertussen wel onze eigen Moeder-Aarde.

Als moeder aarde geweten had dat zij mensen zou voortbrengen die op een dergelijke manier omgaan met haar erfgoed, zou zij dan niet harder beven?

©Prlwytskovsky.

Gebruiksaanwijzingen



Huisdieren zoals muizen, hamsters, konijnen en poezen mag je niet in de magnetron stoppen om snel op te drogen. Dit staat te lezen in de gebruiksaanwijzing en het wordt afgeraden om bijvoorbeeld de beestjes daarin snel te drogen na een wasbeurt. Meer van dit soort rare dingen zijn te lezen in gebruiksaanwijzingen van huishoudelijke apparaten.

Zo was ik laatste op weg om een nieuw koffiezetapparaat te kopen. Als ik bij de winkel aan kom lopen staat het winkelpersoneel gezellig buiten te ouwehoeren. Binnen is alleen een caissière en die heeft het zo te zien erg druk met ondefinieerbaar op werken gelijkend gedoe.
In het rek zie ik een apparaat dat ik wil hebben maar er is niemand om er eentje voor mij te pakken. Tussen de schappen vind ik een dom voor zich uitkijkend verschijnsel die ik verdenk bij deze ballentent te horen; ik bedoel het verschijnsel is gekleed in de kleuren van deze Pim-Pam-Pet club dus ik neem aan dat ‘ie bij de inventaris hoort. Uitgerekend aan zoiets vraag ik of hij mij kan helpen. Alsof ik Chinees lul staat hij om zich heen te kijken en met tegenzin loopt hij mee naar het rek.
‘Deze’, wijs ik hem aan. Zonder verder commentaar loopt hij naar achteren en komt terug met het bedoelde apparaat: een zwarte.
“Heb je die ook in het wit?” Vraag ik, in de overtuiging dat dit een doodnormale vraag is. Nog net geen stoom afblazend loopt hij terug en verschijnt even later met een witte.
“Zoiets”? En hij pleurt met een chagrijnig smoel die doos voor mij neer.
“Nee nee ik wil die zwarte maar ik vroeg mij alleen af of je hem ook in het wit hebt.”
Figuur hapt nu naar adem en ik wacht niet op wat er komen gaat maar ren met de doos naar de kassa en reken af bij een andere doos.

Thuisgekomen pak ik het koffieding uit en zet hem op de plek waar zoiets hoort te staan en pak de handleiding. Ik lees wat er zoal voor tips in staan:
1- leg de stekker nooit in het water.
2- dompel het apparaat niet onder in water.
3- houdt de vingers nooit onder de druppelaar.
4- niet in de vaatwasser doen.

Typisch Nederland. Overbezorgd voor de ingezetenen. Maar als ik bij de viswinkel twee lekkerbekjes bestel en vraag om ze aan beide kanten te bakken dan word ik raar aangekeken.

©Prlwytskovsky.

Relaties



Met haar amandelvormige ogen en gitzwarte golvende haren tot over haar schouders, met een figuur als een zandloper. Ik zie haar voor het terras staan. Gebiologeerd bekijk ik haar en bedenk een stemgeluid waarmee zij tegen mij zou kunnen praten, hoe zij zou ruiken, zou lachen; of hoe zacht zij zou aanvoelen als ik haar aanraak.
Zij loopt het terras op en neemt tegenover mij plaats, aan een tafeltje in de zon. Uit haar tas haalt zij een spiegeltje en een borstel en begint haar lange golvende zwarte haren te borstelen. Zij bekijkt zichzelf in haar spiegeltje en met een tissue dept zij haar ogen. Ze kleurt haar lippen en stopt alles weer terug in haar tas.
Een spa-rood wordt voor haar neergezet en zij slaat haar ranke benen over elkaar. Van links naar rechts kijkt zij het pad af alsof zij iemand verwacht. Ze graait in haar tas en legt een pakje sigaretten op tafel maar steek er geen op. Haar ogen dwalen over het terras en ontmoeten mijn ogen. Heel even blijven haar ogen aan mijn ogen hangen maar dan kijkt zij verder, overduidelijk op zoek naar iemand.

Er komt een man het terras oplopen en hij gaat direct naast haar zitten. Hij slaat zijn armen om haar heen en na een overweldigende zoen begint hij tegen haar te praten. Zij duwt hem van zich af en neemt het gesprek over. Het lijkt wel of zij hem terecht wijst. Wilde gebaren en vuurspuwende ogen hebben tot gevolg dat zij opstaat, haar spullen in haar tas doet en zonder verder nog iets te zeggen loopt zij weg. De man verbouwereerd achterlatend.

Snel afrekenen en nieuwsgierig als ik ben loop ik haar achterna. Zij loopt de brug over en slaat linksaf. Bij de fietsenstalling blijft zij staan en kijkt om zich heen. Ze steekt een sigaret op en blaast de rook uit haar rechter mondhoek naar omhoog. Ongeduldig kijkt zij om zich heen en tipt de as van haar sigaret.
Een andere man loopt recht op haar af. Als zij hem ziet gooit zij meteen haar sigaret weg en rent op hem af. Armen die om lichamen klemmen, monden die zich aan elkaar vastzuigen en toeschouwers die geraakt door dit moment applaudisseren.
Verderop staat de man van het terras. Hij bekijkt zich het gebeuren en draait zich om. Met zijn handen diep in zijn zakken loopt hij slenterend weg met zijn hoofd voorover gebogen.

©Prlwytskovsky.

Pesten

Tags

, ,



Pesten is iets dat niet in deze tijd is uitgevonden maar wereldwijd bekend is bij elk kind uit welke generatie dan ook. Pesten en gepest worden, andere categorieën zijn er niet. Als kind had ik geen imponerend figuur en was een klein en broos mannetje, prachtvoer om gepest te worden en dat gebeurde ook.

Twee schoolknapen die in de zesde klas zaten moesten mij altijd hebben, zelf zat ik in de derde klas en met deze leeftijd hadden zij met hun tweeën de overmacht. Schelden, knijpen en in elkaar geslagen worden heb ik moeten ondergaan zonder dat iemand er een poot naar uitstak. Moeder zei dat ik terug moest slaan en de juf luisterde maar met een half oor naar mij. Toen die twee na hun 6e klas van school afgingen was het pesten nog niet voorbij want één van die twee kwam in onze straat wonen. Later toen ik ouder was ben ik met mijn brommer over de poten van de grootste van die twee gereden. Pech, want die knul had een hond die hij op mij afstuurde en hond beet maar wat graag in mijn poot; zo baasje zo hond. Het kan je niet altijd meezitten.
Jaren later toen ik Huzaar af was en als vrachtwagenchauffeur ging werken had ik daar een goede training aan. Zwaar werk zorgde ervoor dat ik er breed en gespierd uit ging zien. Ik zal een jaar of 28 zijn geweest dat er een vriend van mij ging trouwen en hij mij uitnodigde op zijn feestje. De receptie was druk bezocht en overal werden praatjes aangeknoopt. Achter in de hoek aan een tafeltje zat een bekend gezicht maar ja: Schiedammers onder elkaar. Op den duur ken je er zoveel zonder eigenlijk te weten wie zij zijn.

Het gezicht aan dat tafeltje trok weer mijn aandacht en ik ging dichterbij. Geen steek veranderd vond ik. Het was die andere pestkop en hij zat alleen aan een tafel een gebakje te verorberen. Ik voelde mijn vuisten samentrekken en met mijn handen in mijn zak liep ik op die galbak af. Daar zou ik eens een hartig woordje mee gaan praten.
Zijn rechterhand trilde. Hij legde zijn gebaksvorkje neer en keek wie er naast zijn tafeltje stond en wilde opstaan om mij een hand te geven en zich voor te stellen maar ik gaf geen krimp en hield mijn handen in mijn zakken. Onbeweeglijk keek ik hem aan. Wat een zielig hoopje mens zat daar op die stoel, bij dat tafeltje. Zo te zien had hij een of andere ziekte onder de leden waardoor hij niet goed meer kon bewegen.
“Wie ben je?” Vroeg hij.
“Ken je mij niet meer?”
“Nee, ik zou het niet weten.” Mompelde hij.
“Is eigenlijk ook logisch hè.” Zei ik cynisch. “Wij waren immers nog kinderen; zolang is dat al geleden.”
“Geef mij eens een tip, waar ken je mij dan van?” Vroeg hij nieuwsgierig.
Als ik zwaar had uitgeademd was hij al omgevallen en ik liet mijn knuisten in mijn broekzakken ontspannen.
“Jaren heb ik erop gewacht om jou eens tegen te komen, jaren. Nu zie ik je eindelijk en nu vind ik het de moeite niet meer waard.”
“Maar wie ben je dan?” Vroeg hij nu luider. Ik draaide mij om en liep weg van hem. “Wie ben je?” Schreeuwde hij mij op zijn manier achterna.

Ik ging naar mijn vrienden terug, nam waardig afscheid en ging naar buiten. Frisse lucht had ik nodig. Wat had ik die knaap graag een paar hoeken tegen die kop gegeven maar iemand die al met anderhalf been in het graf staat is geen partij voor partijtje matten. De leerschool die ik heb doorlopen heeft mij niet alleen normen en waarden bijgebracht maar ook zelfrespect. Zo te zien werd die knaap al genoeg gestraft.

Enkele maanden later kwam ik mijn vriend tegen.
“Weet je dat Aad dood is?” Vertelde hij.
“ Aad? Wie is Aad?”
“ Nou, op mijn receptie zag ik je met hem praten dus ik dacht dat jullie elkaar wel zouden kennen.”
“Hoe oud was hij?”
“Dertig!”
“Nee, ik ken hem niet.”

©Prlwytskovsky.

Contaminaties enzo


Soms, als ik even niets te doen heb, besteed ik mijn tijd aan onze Nederlandse taal; onze voertaal dus. Vooral wat wij ermee bedoelen; ermee willen uitdrukken. Lees anders even mee …

Met alle geweld een vredesmissie op willen starten is op zich al bedenkelijk, maar gelijkertijd een schitterende zin in de Nederlandse taal waarbij het één in tegenspraak is met het ander.
Zo kun je toch schaamluis hebben terwijl je allergisch bent voor huisdieren. Of aan een slotenmaker vragen of hij ook vijvers maakt. Naar een hartpatiënt roepen dat er iets niet klopt of een DJ die doordraait, een trompettist met een blaasprobleem of een verkouden pyromaan die ook de rest aansteekt.
Een vuurwerkslachtoffer bij wie zijn ongelukken niet meer op één hand te tellen zijn en een begrafenisondernemer die het stervensdruk heeft. Of een dochter die op 1-april geboren wordt Joke noemen. En hebben brandweermannen recht op een rookvrije werkplek.
Een leeg restaurant gastvrij noemen. Een terrorist op typecursus sturen met 200 aanslagen per minuut of een abortuskliniek binnengaan waar een wachtlijst is van negen maanden.
Maar echt lef moet je hebben om een Antrax brief dicht te likken. Of als scherpschutter tegen je vrouw zeggen: ik heb je gemist.

Kun je het nog een beetje volgen? Dit is dus ook de Nederlandse taal, met invalshoeken waar wij Nederlands sprekenden niet eens erg in hebben.
Tot slot voor de lezers deze overdenking: Wat doen weekdieren in het weekend?

©Prlwytskovsky.

Vroeger regende het ook



Vroeger, toen de media zoals wij die nu kennen nog niet bestond, regende het wel eens. Denk daarbij niet aan een kwartiertje maar nee: hele dagen lang regende het. En soms met druppels van een liter. Wegen waren stikdonker en vol kuilen, en het asfalt met rijsporen. Dikke rijsporen zo dat als je in dat donker van baan wilde wisselen je ineens gelanceerd werd naar links, want rechts lagen de meeste sporen. Ons chauffeurs deed dat niks destijds, wij reden gewoon door.

Neem bijvoorbeeld het oude stukje Maarn – Doorn vanaf de A12 naar Oud Leusden. In het stikdonker met tegenliggers die ook geen reet zagen. Regen en of sneeuw maar er gebeurde daar nooit wat. Tenminste: zover ik weet.
Of even bijkomen bij Jan van Amersfoort, met koffie en een bal gehakt. Tegen de tijd dat de derde koffie op was werd het licht maar het regende er niet minder om.

Dan moest ik naar een gat dat op iets met Wolde eindigde. Lag ergens onder Groningen maar vraag me nu even niet hoe die plek heet. Daar moest glas geladen worden met een op de auto gemonteerde Atlas grijper en dat betekende buiten in de regen zitten kranen tot de tuut vol was. En dat kon zomaar een anderhalf uur duren. Daarna in de auto de natte kleren uittrekken tot aan me blote hol, en het reserve pak aantrekken. Kachel vennetje van mijn DAF 2100 op ‘hoog’. Aan me paal trekken en het gas erop.

Bij Routier Nunspeet een pi(s)t- en eet stop maken en wat lekkers gegeten en gedronken. Na enige tijd was het gebibber over en voelde ik mij weer helemaal bij komen. Fluks terug achter de hoepel en op Rotterdam aan sturen.
Helemaal weer op bedrijfstemperatuur kom ik aan op de losplaats en of je het nu gelooft of niet maar het regende nog steeds pijpenstelen. Je raakt daar aan gewend op den duur. Lossen in het aardedonker en plensregen. Schuilen had geen zin want het regende de hele dag al. Kledingpak 2 was dus ook al doornat en dat hing ik in ons waslokaal over de verwarming, zodat het de andere dag droog zou zijn. Bloot naar huis? Neej, pak 1 was half droog en dat aangetrokken. Thuis kon dat op de verwarming verder op drogen. Klagen deden we in die tijd niet over een paar regenspatjes, en ziek werden wij toen ook nooit.

Als ik dan vandaag naar de weerberichten kijk en naar de info van de verkeersinfo (VID) dienst, dan staat er om 18 uur 375km file omdat het ‘even’ regent. En dan val ik stil hé jongens. Is deze regen dan anders dan vroeger? Natter of zo? Vroeger waren er toch ook veel auto’s op de weg maar toen ‘kon’ men nog rijden, iets waar ik nu meer en meer mijn twijfels over krijg.
En begrijp mij niet verkeerd hé: autorijden is een vak! Of je nu met een 50 tonner rijdt of met een Fiat 500: Rijden is rijden en vooral opletten op andere weggebruikers!
Raar hé, maar ik voel mij nu nog steeds veiliger tussen vrachtauto’s dan tussen een sliert luxe auto’s. Of komt dat door mijn verleden als trucker?

Als ik nu in een vrachtwagen kijk zie ik alle luxe die je maar kunt bedenken. Het lijken wel Rolls-Royce’s, maar dan met een dikke 700 pk soms. In vergelijking met de cabines uit mijn tijd lag er een slaapplank over de motorkap van mijn DAF met aanhanger en wel 120 pk. En dan zoiets zien. Dat frustreert enorm ja. Vooral ook omdat ik nooit met dit nieuwe spul heb gereden, maar dit terzijde.

En toch hé, toch kruip ik nog veel liever terug achter de hoepel van mijn tandem as DAF2800 met enkel as aanhanger.

Maar och: dat zijn jongensdromen.

©Peter Verbeek.

Genealogie en zo

Tags



Mijn oom is dood. Mijn tante ook trouwens. Eigenlijk iedereen die als familie zijnde ooit om mij heen toefde zoals vader, moeder, oma’s en opa’s, nicht, vrouw, kind, jong nichtje. Afijn alles heb ik ondertussen al weggebracht. Maar er gloort licht aan de horizon want er schijnt nog ergens een familietak van vaders kant te bestaan. Een terrein dat nog niet ontgonnen is door mij. Reden te meer om eens in het verleden te duiken en te zoeken naar deze onbekende bloedverwanten.

Ik voer mijn naam in bij het zoveelste genealogie programma en druk op ‘zoek’. Eerst gebeurt er niets. Waarom ook. Maar dan verschijnt de eerste naam: mijn eigen naam lees ik daar. Dan zie ik de tweede naam en dat is ook mijn naam alleen de datums kloppen niet. Meer namen komen er binnen, zoveel zelfs dat het niet meer op het scherm past en ik moet scrollen om ze allemaal te kunnen lezen. De oudste naam laat een geboortedatum zien van 1773, dan 1844, 1867 en tenslotte 1947 want dat ben ik zelf. Merkwaardig om te zien dat ik al zo vaak geboren ben en bijna even zoveel keren ben overleden. Behalve die laatste keer want die moet nog komen.

Sinds jaren ben ik op zoek naar die familie maar mijn onderzoek is ondertussen aardig vastgelopen. Dan kwam ik op het lumineuze idee om eens begraafplaatsen te bezoeken waar mijn voorvaderen zouden kunnen liggen.
Na enkele begraafplaatsen op de Betuwe te hebben afgestruind vond ik mezelf en dan sta je toch raar te kijken. Nieuwsgierig geworden liep ik alle paden af maar vond verder niemand anders met mijn naam en ik ging terug naar mijn vermeende voorvader. Mijn gedachten dwaalden af en terwijl ik daar met lege handen stond kwam er een oud vrouwtje aan schuifelen en zij bleef naast mij staan.
“Ik heb jou nog nooit gezien hier, kun je het vinden?”
“Ik zoek mijn familie.” Bromde ik terug.
“Die zul je hier niet vinden.” Zei de vrouw: “Deze zijn allemaal dood.”
De oude vrouw die geheel in het zwart liep en aardig op leeftijd was keek mij met een paar lachende opbeurende ogen aan. Ik besloot haar te vertellen dat alle gegevens op de steen kloppen met mijn naam, tot op de letter maar alleen de datum klopt niet.
“Ach ja.” Zei ze: “Dit was de laatste van deze familie dus hier hoef je niet verder te zoeken. Maar in deze streek heeft bijna iedereen deze naam dus zal jou zoektocht er niet eenvoudiger worden, jongeman.”
Woorden, alsof ze van iemand uit een ver verleden kwamen. Zo voelden haar bemoedigende woorden. Hierna liep mijn onderzoek weer eens vast.

Via genealogie las ik een bericht waarin mijn naam voorkwam en ik reageerde er direct op. Toen ik antwoord kreeg bleek dit het juiste spoor te zijn. Eindelijk! Maar de laatst levende link die mijn oude familie en ook mijn vader nog gekend moet hebben bleek te zijn overleden in 2005. Ook hier greep ik weer mis. Er stonden meerdere namen op die lijst van mensen die allemaal waren ontsproten uit diezelfde voorouder uit 1773 en wiens mijn naam ik draag. Maar allemaal geschreven met dikke rode letters. Er onder stond geschreven dat de rood gekleurde namen niet benaderd mochten worden in verband met de privacy. Na dit gelezen te hebben liep ik als een verdwaasde door mijn hol en bonkte met mijn kop tegen de muur. Eindelijk heb ik ze gevonden en dan mag ik ze niet benaderen. Alleen per telefoon is nog mogelijk maar als ik niet weet in welke stad of dorp ze wonen waar moet ik dan zoeken?

Zoals het standbeeld van Zadkine ‘De verwoeste stad’ in Rotterdam de bommen staat tegen te houden, zo stond ik verwensingen omhoog te schreeuwen. Niet dat het iets oplost maar het lucht op zoals ook het schrijven van dit epistel lucht geeft.
Met de gevonden familie heb ik contact gelegd. Het zijn 70+’ers en  80+’ers.  Ik heb ze gezien, met ze gepraat en ontdekt dat wij eigenlijk vreemden van elkaar zijn, doch wel met een link naar onze voorouders. Meer is er niet. Ja, een achterneef die sprekend op mijn vader leek gaf mij de nodige emotie maar een echte klik was er niet met hem.

Nu, vier jaar later is die achterneef overleden en twee achternichten zijn veilig opgeborgen omdat zij de wereld voor een doedelzak aanzien. Ik ben de laatste van deze familietak die het licht uit mag doen.

Is dit mijn karma of mijn lot?

©Prlwytskovsky.

Het etentje

Tags

, , , ,



Jij bent een botterik, een hork, een chagrijn en jij kan niet met vrouwen omgaan! Je bekt ze af en krenkt ze. Dit zijn van die vaak gehoorde uitspraken van vrouwen die mij niet kunnen krijgen waar zij mij hebben willen. Toen ik net alleen was zat ik hier vreselijk mee maar ik heb inmiddels zoveel eelt op mijn ziel dat dergelijke uitspraken mij niet meer deren.

Een jaar of twaalf geleden had ik contact met een zo op het oog smakelijke dame en wij konden het al goed met elkaar vinden. Er waren raakvlakken en interesses waarbij zij het idee opperde om eens ergens een pannenkoekje te gaan eten en elkaar tegelijkertijd nader te aanschouwen. Achteraf waren die pannenkoeken niet te vreten maar dat hadden wij even niet in de gaten. Was dat een voorteken?
Een maand later spraken wij af om ergens te gaan eten. Geen pannenkoeken want zij stelde voor om dan maar bij mij thuis te komen eten want dan kon zij mijn kookkunsten eens testen. Nu weet ik heel toevallig dat vrouwen geïmponeerd raken van een vent die kan koken en daarbij ook nog eens een Godenmaal opdient. Dus kon ik met een gerust hart dit balletje verder uitspelen.

Kwestie van uitsloven met een mais-pruttel kip. Sla met allerlei zooi erdoor en dat alles drapeerde ik in een schaal. Het godenmaal zag er precies zo uit als op de foto van het recept destijds. Uit ervaring kan ik zeggen dat het ook dienovereenkomstig zo zal smaken. Als toetje had ik groene appels in kleine blokjes gesneden en bestrooid met kaneel, wat rozijnen erover en een beetje basterd suiker, scheutje amaretto erbij en dan in de magnetron laten garen. Een hemels gerecht, daar kon het dus niet aan liggen vond ik.
Tussendoor moest ik mevrouw wel even van het station halen en keurig op tijd waren wij thuis. Voor haar een wit wijntje en voor mezelf een lekker borreltje met ijs. Het feest kon beginnen dus het vuur werd opgestookt met een extra scheppie kolen en de pannen dampten er lustig op los. Ik vertel dit nogal uitvoerig om de lezer inzicht te geven hoe het er in mijn gaarkeuken aan toe gaat.

Toen de zaak eindelijk op de schalen lag te pronken schoven wij aan. Hoe lang het door ons geklets duurde weet ik niet maar toen ik mijn bord bijna leeg had was zij nog niet op de helft.
“Hou je niet van dit soort eten?” Vroeg ik haar.
“Oh jawel.” Zei ze. “Maar bij ons thuis eten ze die rommel nooit, dat willen ze apart op schaaltjes ernaast.”
“Rommel?” ….. “Jij zit nu hier bij mij en ik vreet dat altijd op deze manier!” Knalde ik er nogal ongenuanceerd uit.
“Nou ja, je begrijpt me wel”. Ze schoof haar minder dan half leeg gevreten bord opzij en zei dat ze genoeg had gegeten maar dat een bakkie koffie er wel nog zou in gaan. Ze deed ze haar best om de situatie te redden maar helaas: ik had mijn oordeel reeds geveld. Het werd dus géén koffie. Het was meer van aankleden en opgerot! Galant als ik ben bracht ik haar meteen naar het station en wuifde haar met een sinistere glimlach na.

De andere dag belde ze mij op en fluisterde lieftallig in mijn oor dat ik niet met vrouwen kan omgaan omdat ik een botterik ben.
Nu heb ik in mijn leven wel geleerd om te gaan met vrouwenlogica en er zeker niet tegenin te gaan als een vrouw haar mening pardoes ventileert want dat houdt alleen maar op. Ik gaf haar op alle fronten gelijk en hing op. Nooit hoorde zij meer iets van mij.

Ongewild heeft zij een bijdrage geleverd aan de vorming van mijn visie ten aanzien van vrouwen: het zijn net stadsbussen. Wacht er nooit te lang op want na 10 minuten komt er weer één.

©Prlwytskovsky.

Angstdroom

Tags

, ,



Je kunt geen kant meer op. Niet naar links, niet naar rechts; er is zelfs geen weg terug. Je kunt alleen naar boven maar je kunt niet vliegen dus dat is geen optie. Je hebt het gevoel dat je bijna geen lucht meer krijgt maar je wilt zo snel mogelijk weg, weg van deze plek en je probeert te rennen.
Dan zie je eindelijk een lichtpuntje, je ziet daglicht opdoemen en je concentreert je daarop. Op dat punt aangekomen ben je aan het einde van een gang: het loopt dood. De enige uitweg is een fabrieksschoorsteen met metalen ingemetselde traptreden. Als je omkijkt zie je de vlammen op je afkomen, een helse vuurzee achtervolgt je dus je moet die trap op, de schoorsteen in; maar je hebt hoogtevrees. Sidderend van angst klim je naar boven terwijl de vlammen de weg terug voor jou versperren. Het lijkt wel of de vlammen jou willen bijten; uitgerekend jou moeten ze hebben. Je bidt om hulp en klimt ondertussen hulpeloos hoger en hoger.

Badend in het zweet wordt je wakker en je gaat je bed uit. Verdwaasd loop je door de nacht, je kijkt naar buiten en ziet dat alle buren slapen; overal is het licht uit. Het is half vier. Je drinkt een glas water en gaat weer naar bed.

Sirenes loeien door de nacht. Je oriënteert je: waar komt dat geluid vandaan? Je wilt opstaan maar dat lukt niet; iets weerhoud je ervan. Gezichten kijken je aan. Je ziet een flets blauw flikkerend licht weerkaatsen op de gezichten die jou aankijken; hun monden bewegen. Daarna besef je pas wat zij zeggen: “Doe maar geen moeite, die is dood!” Paniek, want je bent niet dood, je ziet en hoort ze toch praten? Je schreeuwt, je brult maar niemand hoort je.
“Maak me los dan sta ik op.” Schreeuw je, maar niemand reageert.

Badend in het zweet word je voor de zoveelste keer wakker. Je kijkt op de wekker en ziet dat het 5 voor zes is, nog 5 minuten dan loopt de wekker af, Dan moet je opstaan om weer te gaan werken. Maar daar is het ook uitzichtloos. Er zijn spanningen, onduidelijkheden maar vooral onzekerheden. Niemand praat erover maar geruchten doen hun ronde en bakerpraatjes vieren hoogtij. Maar er is niemand die enige uitleg geeft over de situatie. Hoe moet dat nu verder, en hoe kom je van deze dromen af?

Streel mijn ziel en laat mij zien wat de toekomst is, stel mij gerust en laat mij gerust gesteld doorslapen. Voer mij terug naar die mooie jaren waarin alles goed was.

©Prlwytskovsky.