Hij werkte veel en hard, deed trouw zijn boodschappen en onderhield met straffe regelmaat zijn huis. Studeren deed hij ook maar contacten met of in de buurt had hij weinig. Iedereen had hem in zijn leven belazerd of belogen, zelfs z’n vrienden en exen; niets had hij er meer van over. Hij vertrouwde alleen nog datgene dat hij zelf kon waarnemen. Bijzondere dingen hebben zich in zijn leven eigenlijk niet voorgedaan, afgezien dan van zijn gevoelens die tot op het bot werden afgebroken. Hij probeerde te leven zoals het hoorde, eerlijk en oprecht; week in week uit, jaar in jaar uit.

Tot op zekere dag dat hij weer zijn wekelijkse boodschappen moest halen en hij zijn geld telde. Hij kwam tot de conclusie dat de twintig Euro die nog in z’n lade lag niet toereikend was voor vandaag en besloot het geld thuis te laten en te pinnen. Hij ging met de lift naar beneden en eenmaal buiten koos hij de richting van de supermarkt. Op het schoolplein zag hij een stel kinderen en verdiept in hun knikkerspel ging de wereld ongemerkt aan hen voorbij. Het waren vier kinderen die niet van hun spel opkeken.
Er liepen niet al te veel mensen op de straat. Bij het oversteken scheurde een brommer bijna z’n snorharen eraf. Even verderop liep een vrouw zo hard ze kon, ze stak de straat over naar de winkels en eenmaal daar aangekomen sloeg ze rechtsaf en spoedde zich maar voort. Zo te zien nergens heen. Hoe zinloos leek dat.

In de supermarkt was het ook al niet noemenswaardig druk, een oudere vrouw reed met haar karretje over z’n voet.
‘Ohh, pardon meneer’. Zei ze geschrokken.
‘Geeft niet hoor’ zei hij, ‘ik heb er toch twee’. Maar zij reageerde er verder niet op.
Geroutineerd pakte hij zijn boodschappen uit de schappen omdat hij precies wist wat hij nodig had. Bij de vleesafdeling aangekomen wachtte hij geduldig totdat de verkoopsters uitgekletst waren.
‘Zegt u het maar meneer’. Hoorde hij een stem roepen. Hij was met zijn gedachten ergens anders en wakker geschrokken bestelde hij zijn vleeswaren. Ziezo, dat zat erop. Nu nog even naar de kassa om af te rekenen en dan snel naar huis om een lekkere rundvleessoep te maken. Buiten gekomen leek het of er ineens veel meer mensen op straat liepen of vergiste hij zich nu? Hij stak de straat over en liep weer richting schoolplein waar de kinderen nog steeds aan het knikkeren waren. Hij liep eraan voorbij en keek er eens schuin naar. Plots hoorde hij een kind roepen:
‘Wilt u ook even mee knikkeren meneer’? Hij keek om en zag dat een van die kinderen naar hem keek.
‘Kom doe ook even mee’, vroeg een kind aan hem.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn boodschappen naar huis brengen anders smelt mijn boter’ excuseerde hij zich.
‘Een potje maar meneer’, zei het kind en wenkte hem naar zich toe.
‘Oké een potje dan, maar ik heb geen geld bij mij hoor’ waarschuwde hij. Hij zette z’n tassen neer en ging bij de kinderen op de grond zitten met zijn rug tegen de schoolmuur. De spelregels werden hem uitgelegd door een ander kind. Hij hoorde het wel maar het leek zo ver weg en wat was dat voor een gevoel dat zich plotseling van hem meester maakte? Het leek wel of hij op vakantie was. Wat een rust ineens en alle spanningen waren opeens van hem af gevallen. Er waren geen problemen meer of andere zorgen waar hij zich druk om maakte. Alleen dat knikkeren telde en verder bestond er niets. Sinds jaren voelde hij zich weer blij en opgewekt; hij voelde zich weer kind. Wat is het toch een heerlijk gevoel om kind te zijn, dacht hij.
‘Vindt u het leuk’, vroeg een kind aan hem.
‘Ja’, zei hij verbaasd, ‘maar hoe ehhh, waarom eehhh ….’?
‘Blijf dan voortaan bij ons’, vroegen de kinderen als in koor.
‘Nee’ zei hij, ‘ik moet mijn vlees nog braden en nog wat karweitjes doen’. Hij stond op en moest zich aan de schoolmuur steunen anders was hij omgevallen. Dat ging moeilijk en kwam zeker omdat hij te lang op de grond had gezeten. Hij wilde zijn tassen oppakken maar die voelde ontzettend zwaar aan. Verrek dacht hij: ik ben er toch ook mee hierheen komen lopen?
‘Zal ik u even helpen meneer’, vroeg een van de kinderen.
‘Graag’ zei hij, en samen liepen ze het laantje af naar de oversteekplaats. Dat lopen ging ook niet erg gemakkelijk. Het leek wel of hij tegen een steile helling opliep. In zijn gevoel duurde het uren eer ze de oversteek bereikt hadden.
‘Gaat het nog’? Vroeg het kind. Hij keek naar het kind en zag tot zijn verbazing dat er een vrouw van een jaar of veertig naast hem liep. Hij schrok en probeerde terug te denken hoe deze vrouw zo plotseling naast hem kon lopen. En waar was het kind, het was toch eerst een kind?

Samen staken ze de weg over. Een automobilist kwam aanrijden en stopte netjes. Hij kon niet eens snel oversteken al deed hij nog zo zijn best. Tijdens het oversteken zei de vrouw, ‘Mag ik vragen hoe oud u bent, omdat u nog zo kwiek loopt’?
‘58-jaar’, zei hij en ze begon heel hard te lachen.
‘Ja hoor en dan ben ik een kind van acht. Kunt u het nu verder alleen?’ Vroeg ze lachend. Hij zei dat het wel ging omdat de ingang van de flat waar hij woonde vlak voor hem was. Zijn boodschappen waren een zware last en eindelijk was hij bij de voordeur. Hij probeerde de brievenbus te openen maar kon het sleutelgat moeilijk vinden, hij moest bukken om het beter te kunnen zien. Zijn hand bibberde en was knokkelig, het vel hing er ruim omheen. Hij sloeg er geen acht op. Toen hij de lift binnenging keek hij in de spiegel en zag een heel oude man naar binnen schuifelen. Hij schrok zich een ongeluk want die oude man deed precies hetzelfde als hij. Dat ben ik, dacht hij en een gevoel van onmacht maakte zich van hem meester. Maar hoe kan dat, dacht hij paniekerig? Toen de liftdeur openging liep hij naar zijn huisdeur en opende die. Een bedompte lucht kwam hem daar tegemoet en wat een rotzooi zag hij daar. Hij liep de kamer in en zag dat alles onder een dikke laag stof zat, z’n planten waren alleen nog maar verdorde stokjes. In de keuken deed hij de koelkast open en zag dat schimmels zijn voorraad hadden verteerd. Het zag er uit of er jaren niemand had gewoond.
In de badkamer hing iets aan de waslijnen dat op twee spijkerbroeken leek en een zwart windjack; volkomen verpulverd. Terug in de gang zag hij een paar veiligheidsschoenen staan, maat 44. Hij herinnerde zich ineens dat hij daar op liep toen hij nog werkte.
De deurbel klingelde en hij pakte automatisch de huistelefoon -en hoorde een kind vragen: ‘Peter, kom je buitenspelen, gaan we verder knikkeren?’

Enkele dagen later verscheen het stadsblad met daarin een bericht dat er een dode man was gevonden, hij zat tegen de muur van het schoolplein zonder identiteitspapieren.

©Prlwytskovsky.