Dwalend mijmerend loop ik door mijn stad, op zoek naar niets eigenlijk. Het centrum manifesteert zich door leegstand van winkels en biedt een troosteloze aanblik. Vroeger ja, toen ik nog jong was kon je hier over de hoofden lopen.
Via de Grote Markt wil ik naar de Hoogstraat maar bedenk mij en loop door de Brede Marktsteeg naar de Schie. Ik passeer de groene peperbus. Die bus werd ik als kind altijd mee bang gemaakt dat ik daar een hele week in moest zitten als ik stout was. Aan de overkant zie ik het zakkendragers huisje en het pand waar ooit een slijperij in was gehuisvest. Bedrijvigheid is er niet waar te nemen maar wel staan overal bloembakken om het geheel op te fleuren. Een glasblazerij prijst zijn waren aan maar er is niemand om ze te kopen.

Ik draai mij om en loop de Nieuwe Sluisstraat op naar de Dam. Vanaf de Beursbrug zie ik twee brandweerwagens voor de Korenbeurs staan en er lopen enkele brandweermannen rond. Dit beeld, in deze omgeving, roept herinneringen bij mij op en langs de Korenbeurs loop ik de Dam op. Ik ga linksaf naar de Korte Haven. Beneden op de hoek stop ik en kijk de haven af. De boom op de hoek van de Okkersteeg staat er nog. Weliswaar heel erg scheef gegroeid en de huizen zien er ook nog hetzelfde uit. Het muurtje waarachter ooit de bedrijfsgarage was, daar waar Piet dagelijks met zijn vrachtauto naar binnen reed, ziet er nieuw uit maar nog herkenbaar.

Ik loop verder en ben ter hoogte van de ingang van de nieuwe woonhuizen. De toegang doet mij stoppen met lopen, met denken en ja zelfs even met ademen. Ik leun tegen een meerpaal aan en kijk gebiologeerd naar de toegangspoort. Een uitgesleten marmeren stoepsteen verteld dat hier meer dan honderd jaar mensen hebben in- en uit gelopen. De stenen boog van de toegang is ook bewaard gebleven. Ik mijmer en zie na een dag hard werken weer bekende mensen naar buiten komen. Piet Woudenberg, Doris Nieuwaard, Jan in’t Veld, Kees Wuister en mijn vader. Hij zet zijn fiets tegen de pui en sluit de deur af. In mijn herinnering zie ik mijzelf weer naar binnen zie lopen. Ik kreeg dan altijd een handje drop of laurier (lik) poeder, of een stuk zoethout.
Maar hoeveel voetstappen staan er eigenlijk op deze stoep en wat is hun verhaal? Het verhaal van een pand ergens uit 1690 dat gebruikt werd als branderij voor de Schiedamse jenevers en destijds bekend stond als ‘De Dubbele Adelaar’.

Aan deze bedrijvigheid kwam abrupt een einde door een allesvernietigende brand. De oude karakteristieke gevel stortte zich daarbij vermoeid zuchtend in de Korte haven. Een periode werd daarmee afgesloten.

Daar zit ik dan, voor die toegang en het is net alsof ik hierdoor zomaar in het verleden kan binnenstappen maar een modern bellenblok weerhoudt mij daarvan. Met moeite trek ik mij los uit mijn mijmering en loop terug naar de Sluis. Het brandweerpersoneel is er nog evenals de twee brandweerauto’s. Bijna staan zij op dezelfde plek als op die laatste dag in Mei, in 1968.

Terug loop ik over de Korte Dam en kijk even bij nr.5 naar binnen, daar waar ooit het kantoor was gehuisvest. Maar het is onherkenbaar geworden.
Geëmotioneerd loop ik terug naar mijn auto en rij weg uit het verleden.

©PeVerBeek.