Het is druk bij mijn favoriete slagerij. De zaak staat bijna vol maar ik kan mij er nog net bij wurmen. Meteen na binnenkomst geef ik een ruk aan de nummertjesautomaat en trek er 8 nummertjes aan elkaar uit, dat was niet echt de bedoeling. Met mijn tas onder mijn arm sta ik te pielen om de rol terug te draaien als de slagersvrouw mij in de gaten krijgt.
“Laat maar.” Sist zij mij toe. “Komt vanzelf goed als er meerdere klanten komen.“
Zwetend en puffend gaat zij door met het helpen van haar klanten en probeert zo vriendelijk mogelijk tussen haar bedrijven door te antwoorden op vragen als: het is toch wel vers hè, of laat dat ene plakje er maar bij … nee doe toch maar niet. Aan haar gezicht zie ik dat zij het kookpunt nadert en niet veel meer nodig heeft.

Eindelijk ben ik dan aan de beurt en …. : “Kan ik je helpen”? Vraagt zij.
“347 gram BSE rundergehakt!”
“Hou op met die rot grappen want ik kan niet veel meer hebben.” Blaft zij mij bits toe.
“Ja mevrouw.” Zeg ik en probeer hierbij goedgemutst te kijken.
“Nou, een pond of een half pond, hoeveel wil je?”
“Doe maar 500 gram.”
Zij graait in de gehakt bak als een boer die in zijn gierput roert, smijt het vlees op een velletje plastic en weegt het gevraagde pond gehakt af.
“Anders nog iets? “Vraagt ze.
“Ja, van die beuling die je vorige week had, doe daar nog maar een stuk van.”
Ze vist een groot stuk uit de vitrine en toont mij vol trots het gevonden stuk, of ik dit goed genoeg vind. Ik zie haar hand de worst omklemmen en denk er het mijne van.
“Is die van vorige week?” Vraag ik.
“NEEE!” Bijt zij mij toe: “Dit is verse, van vandaag!”
“Ohw nou uuhhh, als je niets anders hebt doe die dan maar; ik ben immers de beroerdste niet.”

Er werd in mijn rug gepord door een vrouw die achter mij stond:” Je moet ze een beetje ontzien want ze staat er helemaal alleen voor zo je ziet.”
Dat zag ik ook wel maar ik dacht nu wel een potje te kunnen breken bij haar sinds onze laatste ontmoetingen, waarmee onze relatie ogenschijnlijk werd verbeterd. Bovendien dacht ik: nu sta ik ook eens zo te zeiken, zoals jullie altijd doen als ik haast heb.

“Anders nog iets?” Vraagt de slagersvrouw?
“Ja, pondje Leidse kaas graag.”
“Is het nou afgelopen?” Brult ze door de zaak. “Reken af en ga d’r uit want ik word stik zenuwachtig van je: sodemieter op!”
Ze ademde hierbij zo zwaar uit dat mijn briefje van 10 euro bijna als vanzelf van de toonbank waait. Als zij mij het wisselgeld teruggeeft hoorde ik haar roepen: “Wie kan ik helpen?”
Ze bekijkt mij niet meer en geeft geen krimp als ik de zaak verlaat en de aanwezige een prettige dag toe wens. Waar moet het naartoe met deze wereld.

©Prlwytskovsky.