Tags

, , ,



Vorig jaar liep ik door mijn Schiedamse buurt waar ik ben geboren en mijn eerste levensjaren heb versleten. Ik loop de Potgieterstraat in waar een garage was van de EVAG. Autobussen reden er in die tijd af en aan. Ondenkbaar heden ten dagen want nu kan ik er amper met mijn Fiat500 nog doorheen rijden. Maar ja …  de tijden van weleer? Vanuit het heden kijk ik met jullie terug naar de periode 1947-1952.

Als ik bij de EVAG garage de hoek omloop dan zie ik achteraan de straat de ingang van kolenboer Koorengevel. Gerrit Koorengevel dreef daar zijn brandstoffenhandel door met zijn met kolen beladen vrachtauto’s de koukleumende Schiedammers te bevoorraden met kolen voor hun Dru kolenhaarden. Echte kerels zoals Gerrit met zijn zonen, sjouwden zakken met kolen naar de stookhokken; zakken van een mud. Ik zie ze nog lopen. Weet jij nog hoeveel een mud in kilo’s is?

Tegenover Koorengevel woonden wij, op nummer 27b. Mijn eerste levensjaren keek ik daar uit het raam, naar de daken aan de overkant, naar buurvrouw Pil en haar familie; naar Wout en zijn broers. Ik zag vogels en er reed zelfs een auto door de straat. Om kwart over vijf kwam er altijd iemand thuis die eten in mijn mond wilde proppen en dat wilde ik niet. Naar later bleek was dat mijn vader; wist ik toen veel.

Toen ik daar liep en mijn gedachten vrijuit liet gaan dacht ik terug aan vroeger tijden, aan de mensen, de gebeurtenissen, de indrukken, de tonen die werden gezet. Plots werd er een hand op mijn schouder gelegd en een stem begon te praten. Ik keek op en keek in het gezicht van mijn oude dienstmakker Richard. Samen dienden wij ooit de Nederlandse vlag, als Huzaren van Boreel welteverstaan.
Wat loop je te tobben? Vraagt hij mij. Ach Ries, ik kijk naar de verloedering, naar de vergankelijkheid van mijn geboortegrond; waar mijn roots liggen. Hoe fantastisch waren de mensen destijds en hoe heerlijk was het wonen hier en hoe onaantrekkelijk is het nu? Aan twee kanten van de straat staan er nu auto’s geparkeerd, je kan er amper nog met je auto doorheen rijden laat staan dat er ooit nog een autobus de EVAG-garage kan bereiken?
Wij liepen langs de inrit van Koorengevel de hoek om waar waterstoker Rodenrijs zijn nering diende en mijn vader steevast op vrijdagavond twee emmers heet water ging halen. Die emmers heet water werden in een teil gekieperd en daarin gingen wij gedrieën in bad; na elkaar dus. Eerst ik, daarna vader en dan ging moeder in het inmiddels lauwe water baden. Die teil stond in de woonkamer, en natuurlijk voor de brandende kolenhaard.
Rechts, op het korte stuk van de Alberdinck-Thijmstraat, woonde de postbode Krijn Degeling en op de hoek was melkboer Dijkshoorn gezeteld. Hier moest ik voor het eerst in mijn leven boodschappen doen voor mijn moeder. Als 4 jarige moest ik eieren halen bij melkboer Dijkshoorn. Een wereldramp voor mij en ik keek naar Ries om de winkel aan te wijzen en mijn verhaal te voltooien.

Maar er was geen Ries, er was niemand. Ik kletste in mijn eentje tegen niemand en stond alleen, zoals later zo vaak voor zou komen. Ik liep terug de Potgieterstraat in maar zag niemand lopen. Ries, die liep toch naast mij, en legde zijn hand op mijn schouder? Hij vroeg mij toch waarom ik zo liep te tobben? En waar was hij nu dan? Een rilling liep over mijn rug.

Maanden later kwam ik een andere dienstmakker tegen en wij kwamen te spreken over het verleden. Ries haalde ik aan en wij lachten om onze grappen destijds. Hoe is het eigenlijk met Ries, vroeg ik hem?
Ries? Ah joh, die is een jaar na ons afzwaaien toch overleden?
Wist je dat niet?

©Prlwytskovsky.

Advertenties