Tags

, , , ,



Hij was 61 en woonde alweer 6-jaar alleen. Hij werkte veel en hard, deed trouw zijn boodschappen en onderhield met straffe regelmaat zijn huis. Contacten met of in de buurt had hij weinig. Iedereen had hem in zijn leven belazerd of belogen, zelfs z’n vrienden en exen; niets had hij er meer van over. Hij vertrouwde alleen nog datgene dat hij zelf kon waarnemen. Bijzondere dingen hebben zich in zijn leven eigenlijk niet voorgedaan, afgezien dan van zijn gevoelens die tot op het bot werden afgebroken. Hij probeerde te leven zoals het hoorde, eerlijk en oprecht, week in week uit; jaar in jaar uit.
Tot op zekere dag dat hij weer zijn wekelijkse boodschappen moest halen, en hij zijn geld telde. Hij kwam tot de conclusie dat de tien euro die nog in z’n lade lag niet toereikend was voor vandaag en besloot het geld thuis te laten en te pinnen. Hij gaat met de lift naar beneden en eenmaal buiten kiest hij de richting van de supermarkt. Op het schoolplein ziet  hij een stel kinderen en verdiept in hun knikkerspel ging de wereld ongemerkt aan hen voorbij. Het waren vier kinderen die niet van hun spel opkeken.

Er lopen niet al te veel mensen op de straat. Bij het oversteken scheurt een brommer bijna z’n snorharen eraf. Even verderop loopt een vrouw zo hard ze kan en steekt de straat over naar de winkels. Daar aangekomen slaat ze rechtsaf en zij spoed zich maar voort, zo te zien nergens heen. Hoe zinloos lijkt dat.
In de supermarkt is het ook al niet noemenswaardig druk, een oudere vrouw rijdt met haar karretje over z’n voet.
“Ohh, pardon meneer.” zegt ze geschrokken.
“Geeft niet hoor.” Zegt hij. “Ik heb er toch twee.” Maar zij reageert er verder niet op.
Geroutineerd pakt hij zijn boodschappen uit de schappen omdat hij precies weet wat hij nodig heeft. Bij de vleesafdeling aangekomen wacht hij geduldig totdat de verkoopsters zijn uitgekletst.
“Zegt u het maar meneer.” Hoort hij een stem roepen. Wakker geschrokken bestelde hij zijn vleeswaren. Ziezo, dat zit erop. Nu nog even naar de kassa om af te rekenen en dan snel naar huis om een lekkere rundvleessoep te maken.

Buiten gekomen lijkt het of er ineens veel meer mensen op straat lopen of vergiste hij zich nu? Hij steekt de straat over en loopt weer richting schoolplein waar de kinderen nog steeds aan het knikkeren zijn. Hij loopt eraan voorbij en kijkt er eens schuin naar. Hij hoort een kind roepen: “Wilt u ook even mee knikkeren meneer?”
Hij kijkt om en ziet dat één van die kinderen naar hem kijkt.
“Kom doe ook even mee”. Wenkt een kind hem.
“Nee, ik moet mijn boodschappen naar huis brengen anders smelt mijn boter.” Excuseert hij zich.
“Ah toe één potje maar meneer.” Dringt het kind aan en wenkt hem naar zich toe.
“Oké één potje dan, maar ik heb geen geld bij mij hoor”. Waarschuwt hij. Hij zet z’n tassen neer en gaat bij de kinderen op de grond zitten, met zijn rug tegen de muur van de school. De spelregels worden hem uitgelegd door een ander kind. Hij hoort het wel maar het lijkt zo ver weg en wat is dat voor een gevoel dat zich plotseling van hem meester maakt? Het lijkt wel of hij op vakantie is, wat een rust ineens; alle spanningen zijn opeens van hem af gevallen. Er zijn geen problemen meer of andere zorgen waar hij zich druk om maakt. Alleen dat knikkeren telt en verder bestaat er niets. Sinds jaren voelt hij zich weer blij en opgewekt; hij voelt zich weer kind. Wat is het toch een heerlijk gevoel om kind te zijn, denkt hij.
“Vindt u het leuk”? Vraagt een kind aan hem.
“Ja.” Zegt hij verbaasd. “Maar hoe ehhh, waarom eehhh ….?”
“Blijf dan voortaan bij ons?” Vragen de kinderen in koor.
“Nee,” zegt hij: “ik moet mijn vlees nog braden en nog wat karweitjes doen.”

Hij staat op en moet zich aan de schoolmuur steunen anders zou hij omvallen. Wat gaat dat moeilijk, het komt zeker omdat hij te lang op de grond had gezeten. Hij wil zijn tassen oppakken maar die voelen ontzettend zwaar aan. Verrek denkt hij: ik ben er toch mee hierheen komen lopen?
“Zal ik u even helpen meneer?” Vraagt één van de kinderen.
“Graag” zegt hij, en samen lopen ze het laantje af naar de oversteekplaats. Dat lopen gaat ook niet erg gemakkelijk, allemachtig. Het lijkt wel of er iemand hem tegenhoudt, of nee erger nog: dat hij tegen een steile helling oploopt. In zijn gevoel duurt het een hele tijd eer ze de oversteek bereiken.
“Gaat het nog?” Vraagt het kind.
Hij kijkt naar het kind en ziet tot zijn verbazing dat er een dame van een jaar of veertig naast hem loopt. Hij schrikt en probeert terug te denken hoe deze dame zo plotseling naast hem kan lopen. En waar was het kind, het was toch eerst een kind?
Samen steken ze de weg over. Een automobilist komt aanrijden en stopt netjes voor ze. Hij kan niet eens snel oversteken al doet hij nog zo zijn best. Tijdens het oversteken zegt de vrouw: “Mag ik vragen hoe oud u bent, omdat u nog zo kwiek loopt?”
“61 jaar,” Zei hij.
Ze moet heel hard te lachen. “Ja hoor” zegt ze. “En dan ben ik een kind van acht. Maar kunt u het nu verder alleen?” Hij zegt dat het wel gaat omdat de ingang van de flat waar hij woont vlak voor hen is.

Zijn boodschappen wegen hem zwaar maar eindelijk is hij dan bij de voordeur. Hij probeert de deur te openen maar kan het sleutelgat moeilijk vinden, hij moet bukken om het beter te kunnen zien. Zijn hand bibbert en is knokkelig; het vel hangt er ruim omheen. Hij slaat er geen acht op. Als hij de lift binnengaat kijkt hij in de spiegel en ziet een heel oude man naar binnen schuifelen. Hij schrikt zich een ongeluk want die oude man doet precies hetzelfde als hij. Dat ben ik, denkt hij en een gevoel van onmacht maakt zich van hem meester. Maar hoe kan dat, denkt hij paniekerig?

Als de liftdeuren zich openen loopt hij naar zijn huisdeur en opent die. Een bedompte lucht komt hem daar tegemoet en wat een rotzooi ziet hij daar. Hij loopt de kamer in en ziet dat alles onder een dikke laag stof zit, zijn planten zijn alleen nog maar verdorde stengels. In de keuken doet hij de koelkast open en ziet dat schimmels zijn voorraad hebben verteerd. Het ziet eruit of er jaren niemand heeft gewoond. In de badkamer hangt iets aan de waslijnen dat op twee spijkerbroeken lijkt en een zwart windjack; volkomen verpulverd. Terug in de gang vindt hij een paar veiligheidsschoenen, maat 44. Hij herinnerde zich ineens dat hij daar op liep toen hij nog werkte. De deurbel gaat en automatisch pakt hij de huistelefoon als hij een kind hoort vragen: “Peter, kom je buitenspelen, gaan we weer knikkeren?”

Enkele dagen later verschijnt het stadsblad met daarin een bericht dat er een dode man was gevonden, hij zat naast een tas boodschappen tegen de muur van het schoolplein; zonder identiteitspapieren.

©Prlwytskovsky.

Advertenties